Interview met Jacques Ellul

December 1989


Deel III



Kunt u uitleggen dat volgens u het conflict tussen aan de ene kant de absolute rationaliteit van het technisch universum en aan de andere kant dat wat tot nu toe het wezen van de mens uitmaakte, het enige werkelijke filosofische probleem is?

Ja, we moeten eerst weten waar we het over hebben als we over filosofie praten, omdat als het om het zoeken naar wijsheid gaat ben ik het er mee eens, het is een essentieel probleem bij het zoeken naar wijsheid. Als het echter om het onderzoek naar de zin gaat, de zin van het leven met de twee betekenissen die dat in het Frans heeft; dat wil zeggen de waarde van het leven en verder de richting die de zin aan een bepaalde weg heeft gegeven - dat is ook een filosofisch probleem. Maar als men filosofie op de gebruikelijke universitaire manier begrijpt, dat wil zeggen een rationeel discours, zuiver intellectueel, een discussie over ideeën, dan denk ik niet dat de techniek een filosofisch probleem is. Want het grote probleem dat aan de techniek kleeft is juist de betekenis. Heeft het leven een zin of niet? Vernietigt de techniek de zin of geeft ze een zin? Dat is een echte, fundamentele filosofische vraag.
Ik geloof dat men erop kan antwoorden door een deel van de moderne kunst te beschouwen. In de moderne kunst, die de wereld pretendeert uit te drukken waarin wij leven, die de technische wereld pretendeert uit te drukken. Een mooi voorbeeld is het cultuurpaleis in Parijs wat men het Centre Beaubourg noemt. Wie onder jullie Parijs gaat bezoeken kan constateren dat Beaubourg gebouwd is als een fabriek. Heeft die kunst nog dezelfde functie die de kunst in een traditionele samenleving had? Dat is de vraag. In de huidige samenleving hebben we een kunst bereikt die absurd is. In Frankrijk heb je het theater van het absurde gehad, dat met Camus begonnen is. Het was een theater dat erop gericht was aan te tonen dat het leven absurd was. En vandaar is men gekomen op het absurde theater, dat wil zeggen wat er in een scène geplaatst werd in het theater, dat was absurd, het wilde niets zeggen. Het deed een beetje denken aan een stroming in de poëzie die men dadaïsme noemde, waar het simpelweg ging om het formuleren van lettergrepen: ba ee uf uu, dat was een gedicht.
We hebben het hier over kunst, over de verschijning van een fundamentele filosofische vraag die de techniek opgeworpen heeft. Die is zelfs tot doctrine verheven. De doctrine van die kunst, die geen betekenis meer had. Dat was in Frankrijk de doctrine van de nouveau roman. De nouveau roman is erg interessant want er zijn geen personages meer, er is geen onderwerp meer, men vertelt geen verhaal meer, er zijn geen helden meer, er zijn geen schrijvers meer, de schrijver zelf verdwijnt. Een moderne romanschrijver heeft gepresteerd om te zeggen: ‘Wanneer een roman geschreven wordt, ben ik het niet die de roman schrijft, het is mijn pen die zin heeft om te schrijven.’
Er heeft een belangrijk conflict bestaan tussen Sartre - ik ben het zelden eens met Sartre maar hierover ben ik het wel met hem eens - tussen Sartre en de doctrine van de nouveau roman. Want Sartre heeft gezegd: ‘Men schrijft omdat er iets te zeggen valt.’ En in de nouveau roman zegt men helemaal niets. Men schrijft omdat men schrijft. Er is niets om te zeggen. Dus is er geen betekenis meer, er is geen object meer, er is geen subject meer, er is niets meer. Er zijn woorden, woorden die op elkaar volgen en men moet niet proberen wat dan ook te begrijpen. Zo is het.
Dus ik geloof dat we hier een aanzienlijke invloed zien van de techniek op een van de elementen, die essentieel voor de mens is: de artistieke expressie. En hier kom ik op de filosofie terug, want als hetgeen er geschreven wordt geen betekenis meer heeft, dan is er ook geen filosofie meer. Daarom zien we hier iets van de techniek dat erg belangrijk is. De techniek heeft geen andere betekenis dan zichzelf. En dat is uiteindelijk wat de nouveau roman wilde zeggen: de nouveau roman heeft geen andere betekenis dan de woorden die zijn geschreven. Dat leidt ertoe dat de enige belangrijke handelende persoon in de roman de drukker was. Het was de drukker! Hij drukte de woorden, dat wil zeggen hij voerde de technische operatie uit.
Wij moeten ons nu afvragen of er een mogelijke betekenis is, maar het zoeken naar betekenis kan geen zuiver intellectuele zaak zijn. Het zoeken naar zin impliceert het radicaal ter discussie stellen van het moderne leven. Om betekenis terug te vinden, moet men datgene ter discussie stellen wat geen betekenis heeft. Wij worden omringd door objecten die actief zijn en efficiënt, maar die geen betekenis hebben. Zoals een kunstwerk betekenis heeft, of meerdere betekenissen, of bij mij een gevoel, een emotie teweegbrengt die zin aan mijn leven geeft, zo heeft het technische product dat niet.
Aan de andere kant hebben wij de plicht om fundamentele waarheden terug te vinden die door de techniek verdwijnen, of belangrijke, essentiële waarden, opdat de mens ontdekt dat het leven de moeite waard is geleefd te worden.
Het probleem is niet meer zozeer een filosofisch probleem, maar het wordt een moreel probleem (ik prefereer de term ethisch) en een theologisch probleem, in de werkelijke zin, dat wil zeggen: een waar woord. Het gaat erom een ‘logos’ te vinden, een woord dat waar is, hetgeen door de techniek verdwijnt. Daarom beschouw ik de vraag over het conflict tussen het levend wezen en de technische wereld als een absoluut fundamentele kwestie, op voorwaarde dat men in acht neemt dat het niet de hele filosofie is die zich voor die vraag interesseert.

Wat gebeurt er als de mens de diepste motivatie voor zijn leven verliest?

Wanneer de mens de diepste motivatie van zijn leven verliest, dan kunnen er twee dingen gebeuren. Hij accepteert zelden dat dat waar is, dat het zo is. En in dat geval komt hij in de verleiding zelfmoord te plegen, of hij probeert te vluchten in het amusement (daar hebben we het over gehad) of hij raakt gedeprimeerd en gaat middelen innemen. Wanneer de mens zich daarvan bewust wordt, leidt hij het leven van de meerderheid van de westerse bevolking. Zij zijn zeer gedeprimeerd en ontmoedigd, dus geven zij er de voorkeur aan de dingen niet onder ogen te zien, de vragen niet onder ogen te zien en zij gaan door, men gaat steeds sneller. Men weet niet waar men heen gaat, als men maar snel is.

Waarom gelooft u dat de jongeren toch door willen gaan?

Ik geloof dat de mens ondanks alles erg beïnvloed blijft door wat de mensheid al sinds 500.000 jaar is geweest. Men kan dat niet zomaar plotseling onderdrukken. De jongeren hebben behoefte aan een ontmoeting, aan vriendschappen, aan plezier, aan spelen, maar de spelen die de techniek hen aanbiedt interesseren hen niet. Ik heb dat goed gezien bij mijn kleinkinderen. Men koopt allerlei elektronisch speelgoed voor ze. Ze spelen er een of twee dagen mee, en daarna laten ze het liggen, het is dan niet meer interessant. Een kind zal zich veel meer vermaken met een stuk hout waarmee zijn fantasie een heel universum kan scheppen, dan met erg gecompliceerde spelletjes die niet aan zijn fantasie beantwoorden, aan zijn verlangen om te ontsnappen.
Aan de andere kant krijgen de jongeren grote moeilijkheden als gevolg van hun vorming, in de mate waarin het onderwijs een heel stuk achterwege laat van hun wensen. Ze worden gevormd om een klein deeltje in het netwerk van de techniek in te vullen, maar daar kan een menselijk leven zich tot nog toe niet mee tevreden stellen. Dus plotseling ontstaan die revoltes waar ik het al over heb gehad.

Waarom zijn de moderne filosofen niet in staat om met een kritische geest over de actuele problemen na te denken?


Ten eerste omdat de moderne filosofen beïnvloed zijn door de filosofische traditie. Als men probeert na te denken over de wereld waarin men leeft op grond van Aristoteles of Plato, dan begrijpt men er niets van. Dan beoefent men een filosofie die vanuit intellectueel oogpunt interessant is maar met niets in het huidige leven correspondeert. En deze filosofen zijn in het algemeen stekeblind tegenover de realiteit om hen heen. Voor mij was de grote ontdekking bijvoorbeeld het feit dat ik in 1934 hoorde dat Heidegger een nazi was. Voor mij was de vraag: als Heidegger niet in staat is van zo’n enorme kwestie als het nazisme te zien wat er aan de hand was, als Heidegger niet begrijpt wie Hitler is, als hij niet in staat is het werkelijke discours van Hitler te begrijpen, waarom zou ik dan vertrouwen stellen in de filosofie van Heidegger, een zeer geleerd man, die het over ‘het bestaan’ en ‘het zijn’ heeft, dingen die ik niet kan verifiëren. Waarom zou ik hem vertrouwen? Ik kan hem vertrouwen over de gebieden waar ik iets van af weet. Dus ik heb geen enkele reden mijn vertrouwen in Heidegger te stellen wanneer hij spreekt van zijn verheven filosofie. En dat is hetzelfde met Sartre, waarom zou ik zijn boek L’etre et le neant (‘Het zijn en het niets’) serieus lezen als Sartre elke keer als hij politieke problemen tegen komt, of als hij de technische samenleving ontmoet, zich heeft vergist. Dan zeg ik: als hij zich vergist over zulke heldere, zulke duidelijke kwesties, waarom zou ik dan geloven wat hij me vertelt over dingen die ik helemaal niet kan controleren?

Kunt u uitleggen waarom u de mensen die pleiten voor een betere aanpassing aan de techniek beschouwt als de doodgravers van de menselijke soort?


We hebben het al gehad over de menstechnieken, en deze menstechnieken - reclame, propaganda, etc. - hebben altijd als doel om het technisch universum waarin wij ons bevinden acceptabel te maken, aangenaam. Ze laten aan iedereen zien dat we in die richting moeten gaan omdat dat de beste is. En het zijn de doodgravers van de menselijke soort, omdat alles wat tot nu toe de kwaliteit en de realiteit van de mens uitmaakte verlaten moet worden, om hun weg te accepteren. Ik heb het net uitgelegd in relatie met de kunst. De kunst wordt iets dat geen betekenis meer heeft. En op dezelfde manier rijst het probleem dat het moeilijk is om in een zuiver technisch universum te leven. Zij die proberen om dat te verbeteren, en zeggen dat het niet zo moeilijk is: ‘er zullen makkelijkere stoelen gemaakt worden, men zal betere voeding geven’. Dat zal allemaal erg aangenaam zijn ja, maar ik kom steeds terug op mijn vraag: wat is de prijs die er moet worden betaald? En de prijs die we moeten betalen is in de praktijk erg hoog. Het impliceert bijvoorbeeld het afstand doen van wat de mens tot nu toe beschouwde als wijsheid. Wijsheid ontstaat niet door intellectuele reflectie, maar het is een langzaam doorgeven van generatie op generatie, een opeenhoping van ervaringen en het is een relatie met het natuurlijk milieu. De natuur heeft ons modellen om te leven gegeven. Dat moeten we dus allemaal achterlaten. Als men in een technisch universum leeft, houdt men op de traditionele menselijke wijsheid serieus te nemen.
Op dezelfde manier dwingt de techniek ons steeds sneller te gaan en ze vervangt reflectie door reflex. Ik verontschuldig mij voor het Franse woordenspelletje: de reflectie is het feit dat als ik iets ervaar, ik nadenk over die ervaring en het reflex is onmiddellijk te weten wat te doen in een bepaalde omstandigheid zonder na te denken. Dus de techniek eist dat de mens niet nadenkt.
Ik zou zeggen dat wat mij superieur maakt ten aanzien van het gebied van de techniek juist mijn vermogen tot nadenken is. Als ik een film of voorstelling op tv zie, dan ben ik als iedereen. Dat wil zeggen, ik ben een goede kijker, ik lach wanneer je moet lachen, ik huil wanneer ik moet huilen, ik doe als iedereen. Maar daarna denk ik na en vraag me af: waarom heb ik gelachen, waarom heb ik gehuild, waarom heeft de schrijver er dit en dat in gestopt, welke invloed heeft dat op mijn overtuiging gehad etc. En dat doet het publiek in het algemeen niet. Dat is de reflectie. Maar als men gaat nadenken in een auto die 160 kilometer per uur gaat, dan krijgt men een ongeluk, dan moet men reflexen hebben.
Alles wat de techniek vraagt is nu juist om niet na te denken maar om reflexen te hebben. Maar de mens heeft altijd nagedacht. Degene die men de primitieve mens, de wilde, noemt, heeft in zijn relatie met de natuur nagedacht over wat hij had meegemaakt en ontmoette.
En zij die ons aan de wereld van de techniek willen aanpassen zonder te lijden, zijn ook de doodgravers van het menselijke soort, in de mate waarin de techniek leidt, of men het nu wil of niet - en hoe men er ook over geredetwist heeft - tot massificatie. Dat wil zeggen de techniek produceert massaproducten, deze producten moeten op grote schaal geconsumeerd worden, men moet in de massa leven en daarom onderdrukt men alles wat de vooruitgang van de mens gedurende 300.000 jaar uitmaakte, en dat was moeilijk.
In het begin leek het alsof de mens als groep een blok vormde, als een mier in een mierenhoop. Men beschouwt dat wat de mens gemaakt heeft, en wat de menselijke geschiedenis uitgemaakt heeft, het feit geweest is dat stap voor stap een mens zich van de mierenhoop losmaakte en is begonnen een subject te zijn en zelf zijn beslissingen te nemen en niet alleen de groep. En nu met de massificatie van de samenleving bestaat er de tendens om deze beweging te breken. Iedereen moet zich gedragen zoals iedereen, anders werkt het niet meer. En men weet heel goed dat in bepaalde science fiction-romans de held plotseling bewust wordt dat hij anders is dan de anderen. Dit eenvoudige feit dat een mens ophoudt zoals de anderen te zijn, gaat de ontwikkeling van de techniek tegenhouden. Daarom, nu men ons probeert te overtuigen dat de techniek niet gevaarlijk is, terwijl men ons probeert te doen leven in een cocon, in een aangename omgeving, zodat wij de techniek kunnen accepteren, dat is een totale vernietiging van wat de mensheid heeft geprobeerd te doen. En men probeert ook, en daarmee zal ik eindigen, het denken van de individuele mens te vervangen door een manier van redeneren die helemaal wetenschappelijk is. Dat wil zeggen, de mens is altijd op zoek geweest naar de waarheid. Er zijn veel wegen om bij de waarheid te komen. Maar wij hebben gezegd er is maar één waarheid en dat is de wetenschappelijke waarheid. En we hebben al het andere zoeken geannuleerd, of het nu de filosofische reflectie is, of de theologische reflectie, alle onderzoeken van de menselijke intelligentie om richting de waarheid te gaan, door te zeggen: er is maar één waarheid en dat is de wetenschap. We zijn bij de doodgravers aangeland op het moment dat men sinds een eeuw alle generaties heeft opgevoed om te geloven in wetenschappelijke waarheid en nu zeggen de beste wetenschappers ons dat het misschien niet allemaal zo waar is als men vroeger zei. En ik geloof dat een hoop die we kunnen hebben ligt in de verandering van sommige wetenschappers, die ontdekken dat de wetenschap niet de waarheid is. Ik denk aan die wiskundige, de Nederlander Groetenduijk, die een zeer groot wiskundige is, waar ik erg op gesteld ben, maar die onverdraaglijk was, omdat hij zijn geleerde college over wiskunde gaf en na het college aan zijn studenten uitlegde dat het erg gevaarlijk was, dat de wiskunde niet onschuldig is, dat de wiskunde niet zuiver is, en dat men de waarheid er niet in kon vinden.
Net zoiets: we hebben in Frankrijk een fysicus, Despagna, die een groot fysicus is en die bezig is te ontdekken dat de fysica ons de waarheid niet schenkt. Dat men nooit de waarheid zal vinden door de fysica. En hij doet ontdekkingen die tegelijkertijd erg eenvoudig zijn en bekend, waaruit hij alle consequenties trekt. Hij zegt bijvoorbeeld dat we nooit een chemisch fenomeen of fysisch kunnen kennen, omdat het voldoende is dat er een toeschouwer is om het fenomeen te veranderen. Dus zullen we nooit het fenomeen zelf kennen. Het fenomeen bestaat zonder toeschouwer, maar met een toeschouwer is het niet langer hetzelfde. Dus we hebben wetenschappers die ons zeggen: let op, het is niet per se de waarheid. Lun do (?) die Amerikaan is, heeft het uitstekend geformuleerd. Hij zegt: sinds Einstein weet men dat de fysica van Newton niet klopt, zij klopt alleen vanuit het oogpunt van de techniek. Het is erg belangrijk om je rekenschap te geven dat we een technisch universum creëren op verkeerde fundamenten. En nu komt men er op zijn beurt achter dat de fysica van Einstein misschien niet zo waar is als men lange tijd heeft geloofd. Daarom is het trachten de mens aan te techniek aan te passen hetzelfde als het vernietigen van wat de essentie van de mens was.

Waarom denkt u dat het juist links is die voor een betere aanpassing en een technische groei pleit?

Maar begrijpt u, links baseert haar denken op ideeën uit de vorige eeuw. Ze lopen een eeuw achter: heel links, of het nu communisten of socialisten zijn, ze denken met een eeuw achterstand. Dus hebben ze het nog steeds over de ideeën van de vooruitgang.
Als in Frankrijk onze minister verklaart dat alle jongeren VWO zouden moeten doen, dat 80 procent VWO moet doen, dan is dat absurd, waar dient dat toe? We hebben nu een links... er zijn twee mogelijkheden, of we hebben een links dat met een eeuw achterstand denkt of een rechts dat helemaal niet nadenkt. Ik ben absoluut tegen het politieke universum, want ik geloof dat zij helemaal niets begrijpen van de moderne vragen.

Waarin is de techniek de vijand van de menselijke vrijheid?


We moeten eerst weten waarover men praat als men het over vrijheid heeft. Alles kunnen doen, is dat vrijheid? Nee, het is geen vrijheid om het-maakt-niet-uit-wat te doen. In wezen, ik zal de bijbel als uitgangspunt nemen. Toen het Hebreeuwse volk slaaf was in Egypte. Het is interessant: het woord Egypte is in het Hebreeuws Mitsraim en dat betekent in het Hebreeuws de dubbele angst. De angst om te sterven en de angst om te leven. God bevrijdt zijn volk van het slavernij en bevrijdt zijn volk van de angst. Door dit feit zijn ze vrij, maar waar? In de woestijn. Dus de vrijheid is niet grappig, is niet makkelijk. En als de Hebreeërs in de woestijn zijn, zijn ze niet tevreden. Ze zeggen vaak: we waren beter af in Egypte, we hadden wat te eten, we hadden te drinken, we wisten wat te doen en nu in de woestijn, zijn we vrij. Maar dat wil bijvoorbeeld ook zeggen dat men de richting waarheen men gaat moet kiezen. Men is verplicht om verantwoordelijkheid te nemen. Dus vrijheid is helemaal niet makkelijk.
Een van de illusies die de doodgravers waar we het net over hadden proberen te ontwikkelen bij de moderne mens is hem te doen geloven dat de techniek hem vrijer maakt. Als je een heel stel technische hulpmiddelen gebruikt, ben je vrijer. Vrij van wat? Ah, je bent vrij om lekkere dingen te eten. Dat is waar - als je geld hebt. Je bent vrij om een auto te hebben die je in staat stelt om te reizen. Je bent vrij om naar de andere kant van de wereld te gaan, om Tahiti te bezoeken. Zie je, de techniek staat je toe vrij te zijn. Je ziet beelden die van de hele wereld komen, dat is prachtig. Dus je hebt een vrij universum voor je.
Ik denk aan een klein voorbeeld: de auto. Als de vakantie uitbreekt beslissen drie miljoen Parijzenaars ieder voor zich vrijelijk om in hun auto te stappen om naar de Middellandse Zee te gaan. Drie miljoen mensen die in vrijheid beslissen om hetzelfde te doen! Dus ik vraag me af of de auto werkelijk een middel tot bevrijding is. Ze hebben geen seconde nagedacht of ze soms op een rigoureuze wijze door het technisch apparaat gedetermineerd zijn, over het soort leven dat ze leiden en dat ze een absoluut coherente massa zijn.
Hetzelfde als ik mijn tv-apparaat bekijk, dan ben ik alleen. Maar ik ben helemaal niet alleen, er zijn nog drie miljoen, vier miljoen die dezelfde beelden bekijken, die dezelfde impressie zullen krijgen. Daarom heb ik geen enkele vrijheid. En nog minder vrijheid, bijvoorbeeld ik ga terug naar de televisie, plotseling verdwijnen bepaalde tv-uitzendingen, waarom? Eenvoudigweg omdat, er is een paar maanden geleden een goed boek verschenen dat heette: ‘De dictatuur van de kijkdichtheid’. Een uitzending die geen goede kijkdichtheid heeft verdwijnt. Dus ik ben helemaal niet vrij om te kiezen, maar de voorstellingen die ik wil worden me op een rigoureuze manier gedicteerd door het publiek, door de kijkdichtheid. Dus ik moet een miljoen zijn. Zonder dat tel ik niet mee, als ik geen miljoen ben. Dus zo is er geen enkele vorm van vrijheid en de vrijheden die de techniek me geeft, zijn altijd bijzonder oppervlakkige vrijheden.
En wat meer is, de techniek zelf is steeds veeleisender. Ze eist van de mens steeds meer opofferingen. We hadden het net over menstechnieken die de mens aan de techniek moeten aanpassen, omdat de mens nooit helemaal zo is dat de techniek goed loopt. Maar we worden nu voor beslissingen gesteld, waar de techniek ons voor plaatst, bijvoorbeeld de oriëntatie op beroepen. Er zijn beroepen die verdwijnen en andere die men verplicht is te nemen. De techniek maakt zich exclusief ten opzichte van andere technieken. En dat is een probleem dat erg ver reikt, want we leven in een wereld van concurrentie en men is verplicht om de meest efficiënte techniek te kiezen, de anderen worden terzijde geschoven. Het is een drama voor de Franse boeren, ze moeten bepaalde technieken toepassen die het snelste resultaat geven en die de goedkoopst mogelijke producten geven. En als je probeert kwaliteit, een waarde probeert te produceren... vanuit het gezichtspunt van de concurrentie betekent dat niets. En daarom elimineert de techniek de andere mogelijke technieken, die kwalitatief een grotere waarde kunnen hebben, maar die uit het gezichtspunt van de concurrentie niet zo efficiënt zijn. Dat is een buitengewone beperking van de menselijke vrijheid.
We hebben het al gehad over de eliminatie van culturen, van de Afrikaanse culturen bijvoorbeeld, door de invloed van de techniek. De techniek is intolerant, dat wil zeggen het tolereert niets anders dan zichzelf. Dus alles wat de mythe was, de wijsheid etc. wordt geëlimineerd. Hoe kan men onder die omstandigheden denken dat de techniek de vrijheid ontwikkelt? Ze onderdrukt al deze vrijheden. Van de veelvoud van culturen die de mens duizenden jaren lang heeft ontwikkeld zal er maar één overblijven, en dat is de technische cultuur.
Ik zal nu eindigen over deze destructie van de menselijke vrijheid met een constatering die zeer ernstig is: de techniek verdraagt niet dat men haar beoordeelt. Dat wil zeggen de technici verdragen niet dat men een ethisch oordeel geeft over waar zij mee bezig zijn. En toch, het hebben van ethische oordelen, morele oordelen, spirituele oordelen, dat was de hoogste vrijheid van de mens. Dus ik ben beroofd van mijn hoogste vrijheid. Dat wil zeggen ik kan alles wat ik wil over de techniek zeggen, maar dat zal de technici worst wezen. Ze zullen niets veranderen aan wat ze bezig zijn te doen, aan wat ze besloten hebben te doen, en waartoe ze geconditioneerd zijn te doen. Want de technicus is niet vrij; hij is geconditioneerd. Hij is geconditioneerd door zijn scholing, door de praktijk die hij erop nahoudt en het doel wat hij wil bereiken. Hij is helemaal niet vrij in de uitoefening van de techniek, hij doet wat de techniek eist. Daarom denk ik dat er een totaal conflict is tussen de vrijheid en de techniek.

Kunt u uitleggen wat u bedoelt met de omkering van de noodzaak en vrijheid?


Ik zou niet willen dat mijn discours te pessimistisch en gesloten zou zijn. Ik zou willen uitleggen dat de mens nog steeds, een beetje, nog een mens is. Met nog steeds menselijke behoeften, en nog steeds in staat tot liefde, tot medeleven, nog steeds in staat tot vriendschap. Deze mens zal zich wel of niet bewust worden van deze bepaaldheid door de techniek, van deze onderdrukking, van de verplichtingen waaraan hij wordt onderworpen, van deze conditionering door de techniek. Als hij zich daar bewust van wordt, dan begint voor hem de vrijheid. Want wanneer wij ons bewust worden van wat ons determineert, stellen wij de grootste daad van vrijheid. Anders gezegd, het is niet het op goed geluk ergens heenlopen wat een vrije handeling is, maar het is me er rekenschap van geven dat ik gedetermineerd ben. En als ik weet dat ik gedetermineerd ben, handel ik vrij.
Ik citeer een marxistische auteur: Bernstein, die dat op een bewonderenswaardige manier heeft uitgelegd: vanaf het moment dat men begrepen heeft dat de kapitalistische economie het gehele menselijke leven determineert, dan ben ik al uit de kapitalistische economie gestapt aangezien ik haar beoordeel. Aangezien ik haar kan beoordelen, aangezien ik kan zien hoe het is, daardoor ben ik sterker dan haar. En voor het technisch systeem geldt precies hetzelfde. Vanaf het moment dat ik in staat ben om het te analyseren, net zoals ik een kei zou analyseren, of ieder andere object, dat ik het kan analyseren, dat ik zijn oriëntaties kan doorgronden, vanaf het moment dat ik mij los kan maken van het technisch systeem en de ketenen kan demonteren, daar begint mijn vrijheid. Maar ik weet ook dat ik gedetermineerd ben door het technisch systeem. Het geeft dus niet om te zeggen: ik ben een sterk persoon, het technisch systeem heeft geen greep op mij. Natuurlijk heeft het technisch systeem alle greep op mij, ik besef het goed. Het simpele feit dat ik de telefoon gebruik, ik gebruik de hele tijd technische objecten. Maar ik weet wat ik doe, en ik ben in staat om dat of dat gebruik te verminderen. Ik ben in staat om wat een school van vrienden van mij, die men vóór 1968 de Situationisten noemde - in Nederland had je de Provo, dat was hetzelfde - zij waren goed in staat het als object te zien, dat wil zeggen de techniek is niet meer dan een object voor mij. Ik weet dat het een invloed op me heeft, maar ik weet ook dat ik een subject tegenover haar blijf.

Kunt u het proces beschrijven voordat de techniek verscheen als bevrijdende kracht voor de mens?


Daar komen we terug op een kwestie die erg belangrijk is geweest. De techniek was een middel tot bevrijding van de mens, zolang het om technieken ging die los van elkaar stonden en elk op een bepaald doel gericht en zonder te behoren aan een technisch systeem. Vanaf het moment dat het technisch systeem zich als een geheel heeft georganiseerd, dat wil zeggen dat iedere techniek effecten had die in alle richtingen gingen en iedere techniek afhankelijk werd van alle technieken, vanaf dat moment had de mens geen plaats meer. Hij was niet meer in staat een geheel dat voor hem te complex en te gecompliceerd was geworden te beheersen.

Waarom is de vrijheid verschrikkelijk? Waarom is de vrijheid moeilijk om te leven?

De vrijheid is moeilijk om mee te leven omdat ze ten eerste vereist dat ik zelf mijn keuze bepaal voor mijn beroep en verder een individuele en persoonlijke vrijheid moet zien te vinden, waarin ik niet aan collectieve bewegingen kan deelnemen, waar ik moet proberen voor mezelf te denken. Daarom is het moeilijk, het kost veel tijd. Vrijheid is vervelend, want het kost tijd.
Ik kan me bijvoorbeeld geen mening vormen over een politieke kwestie als ik maar één krant lees. Ik moet talrijke informatiebronnen hebben. Ik maak dan een synthese van deze verschillende informatie en ik zal een aannemelijk idee krijgen van wat er aan de hand is. Een andere moeilijkheid is dat ik het bijna altijd oneens zal zijn met de anderen. Als ik tegen iemand, die gelooft wat er in de krant staat, zeg dat het niet zo simpel is, dan zal hij daar onmiddellijk tegen in het geweer komen. Wij ontvangen zoveel informatie, ik kan me niet, als ik vrij ben, over alles correct informeren. Dus ik moet kiezen - dat onderwerp is het waard om tijd aan te besteden; dat zal ik zoveel mogelijk bestuderen om de grootste waarheid erover te weten te komen. Maar ik zal veel andere dingen laten liggen. Jammer dan. Ik kan niet alles absorberen. Dat is al één van de moeilijkheden. Moeilijkheden die men zal ondervinden. Ik zei dat ik het oneens was met de mensen om me heen. Men zal vinden dat ik een, wat men in Frankrijk een buitenbeentje noemt, ben.
Het is ook moeilijk om met vrijheid te leven omdat ze verantwoordelijkheid inhoudt. Als ik een onvrij mens ben, dan zijn het de dingen die voor mij beslissen. Dan is het de superieur in de hiërarchie, het is... We hebben dit op buitengewone wijze gezien tijdens de Neurenberg-processen. Het was het excuus van alle nazi’s: ik heb een bevel opgevolgd. Ik ben niet verantwoordelijk, ik heb een bevel ontvangen. Een vrij mens is iemand die er geen genoegen mee neemt een bevel te ontvangen, maar die dat bevel gaat evalueren: is het de moeite dat ik daaraan gehoorzaam of niet? Begrijpt u, dat stuurt meteen de organisatie in de war. Als een functionaris gaat nadenken over wat men van hem vraagt dan weerhoudt hij zijn dienst van een goede functionering. Want in plaats van een machine te zijn die precies doet wat een superieur hem opdraagt, zegt hij, ‘nee dat gaat zo niet, ik weiger om dat te doen’. Dus men moet accepteren verantwoordelijk te zijn wanneer men een vrij mens is. En dat is nooit makkelijk of aangenaam, om verantwoordelijk te zijn. Om klaar te zijn om op alles wat er gebeurt een antwoord te vinden.
Het is erg moeilijk om juist in een samenleving als de onze verantwoordelijk te zijn. Ik neem een eenvoudig voorbeeld. Een stuwdam die doorbreekt; wie is daar verantwoordelijk voor? Je heb de geologen, die de studie van het terrein hebben gemaakt, je hebt de ingenieurs die het profiel van de stuwdam hebben gemaakt, je hebt de arbeiders die de stuwdam hebben gemaakt, je hebt de regeringsverantwoordelijken die hebben besloten om de stuwdam op die plaats te maken. Wie is verantwoordelijk? Niemand. Er is nooit een verantwoordelijk, nergens. En in de hele technische samenleving is dat zo, want de taken zijn allemaal zo gespecialiseerd, verdeeld in kleine fracties, dat er nooit een verantwoordelijke is. Maar tegelijkertijd is er nooit een vrij mens. Ze zitten allemaal opgesloten in een klein stukje van het werk en dat is alles.
Ik denk aan het verschrikkelijke excuus - voor mij was het een van de afschuwelijkste dingen waar ik van gehoord heb-: de directeur van het Bergen-Belsen concentratiekamp, tijdens de Neurenberg-processen, toen het over Auschwitz en Belsen ging, vroeg men hem, ‘Maar joegen al die kadavers u dan geen angst aan?’ Hij antwoordde: ‘Maar wat wilde u, er waren niet genoeg ovens in het crematorium, ik kwam er niet aan toe om alle lijken te verbranden, dat stelde me voor enorme problemen, wat wilt u, ik had geen tijd om te denken aan de mensen die doodgingen. Wat mij bezighield waren de technische zaken, van de ovens in mijn crematorium.’ Dat is een voorbeeld van een totaal onverantwoordelijk mens, die niets anders dan een technische taak heeft, en de rest interesseert hem niet.

Waarom denkt u dat de nazi’s ‘Arbeit macht Frei’ boven het toegangshek van Auschwitz hadden gezet?


Arbeit macht Frei. Ja dat is zeer kenmerkend voor onze technische samenleving, om aan de mens de illusie te geven dat hij zich zal realiseren in en vrij zal worden, door het werk. Dat is erg belangrijk, want het is marxistisch. Marx zegt: de mens is mens geworden dankzij het werk. En hij is mens geworden door de ontwikkeling van het werk. Dus het is al werkend dat de mens zich vormt. En Voltaire was het daar helemaal mee eens, hij had dat al 80 jaar voor Marx gezegd: het is door het werk dat de mens gemaakt wordt, dat hij bestaat. En hij bestaat hoe? Door vrij te zijn. Alleen, het werk dat een olifantenjager in Cambodja doet heeft niets te maken met het werk dat de arbeider bij Renault moet doen. Er is hier sprake van een absolute deformatie van de arbeid. De meubelmakers die in de 18de eeuw de stoel maakten waarin ik zit, dat waren mensen die werkten. Maar ze besteedden dagen aan het maken van een stoel. En nu heeft de arbeid die door tussenkomst van de robot etc. wordt gedaan, niet eens een constructieve waarde voor de mens. Ik denk hierbij aan een gedachte van de socioloog Friedmann, die zei, terwijl hij het had over het machinetijdperk: het is erg belangrijk dat de moderne arbeider - dat schreef hij in 1940! - de moderne arbeider heeft niets gemeen met de vroegere arbeider. De vroegere arbeider kende de materialen waarmee hij werkte. De moderne arbeider heeft geen behoefte meer om de materialen te kennen, hij hoeft alleen zijn machine te kennen. En nu hoeft hij zelfs zijn machine niet meer te kennen. Hij hoeft nu alleen nog maar de schermen te kennen waarop de computers hem instructies geven. Dat wil zeggen er bestaat geen echt creatief werk meer, creatief wat betreft het object en creatief van de arbeider. Het werk is totaal van wezen veranderd.

Wat is het verschil tussen de vrijheid en de vrije tijd?

Over de vrijheid hebben we nu voldoende gepraat. De vrijheid draagt altijd fundamentele, essentiële elementen van het menselijk leven in zich. De vrije tijd. De vrije tijd zou een element van vrijheid kunnen zijn. Als ik lopend naar de universiteit ga, op een paar kilometer van hier, dan kom ik langs dorpen, waar wat men noemt volkstuinen zijn. Het zijn kleine huisjes met een tuin er omheen. Ik bewonderde altijd hoeveel zorg de arbeiders aan die tuinen besteedden. Het was prachtig gecultiveerd, net zoals Nederland, het was prachtig gecultiveerd. Ze hielden van hun bloemen, ze hielden van de dingen die ze zelf hadden doen groeien. Op die manier is de vrije tijd iets positiefs.
Hier wil ik de naam noemen van iemand die ik van fundamenteel belang beschouw: Radovan Richta. Jullie kennen hem waarschijnlijk niet, Radovan Richta. Radovan Richta is de enige denker geweest van de Tsjechische revolutie van 1968. Radovan Richta is verdwenen. Dat wil zeggen, nadat de Russen de macht hadden heroverd, weten we wat er geworden is van de politici die mee hadden gedaan in 1968, behalve van één. Radovan Richta is totaal verdwenen.
Hij heeft twee essentiële werken achtergelaten waarin hij de meest solide en serieuze analyse maakt van de relatie tussen het marxisme en de techniek en hoe de techniek op een menselijke manier gebruikt zou kunnen worden, in een humaan socialisme. Hij heeft een verbazingwekkend economisch werk geschreven. Hij zegt, en daarom haal ik hem aan met betrekking tot de vrije tijd, ‘Ik heb voldoende vertrouwen in de mens, om ervan overtuigd te zijn dat als de mens bevrijd zou zijn door hoog ontwikkelde technieken en als hij wat tijd voor zichzelf had, hij intelligente middelen zou kunnen vinden om zijn leven in te richten.’ En Radovan Richta was ervan overtuigd, net als ik met mijn volkstuinen gezien heb, dat de mens werkelijk de middelen zou vinden om zijn tijd op een positieve manier in te vullen.
Ik ben ook overtuigd dat de mens de middelen zal vinden om zijn tijd positief in te vullen.
Ik zal een ander voorbeeld geven, dat jullie Nederlanders misschien een beetje raar zullen vinden. Voor de oorlog van 1914 was de plek waar de Franse arbeiders de revolutie buiten Karl Marx (uit)vonden, waar ze het anarchosyndicalisme creëerden, wat ook een grote beweging was. Deze Franse arbeiders kwamen na het werk bij elkaar in het café. En het was in het café dat ze na tien, twaalf uur werk de tijd doorbrachten om een bijzondere krant te redigeren. Tussen 1900 en 1910 was er een buitengewone Franse arbeiderskrant. De arbeiders zaten in het café met een behoefte om na te denken. Daartoe had men hen niet geconditioneerd, niemand had dat voor hen bepaald, het waren zij die bij elkaar kwamen om na te denken, en niet om door de straat te trekken.
Ik ben ervan overtuigd dat de mens nog steeds in staat is om zijn vrije tijd zo te gebruiken. Maar helaas oriënteren de menstechnieken, de beïnvloedingstechnieken waar we het eerder over hadden, de mens op een heel ander gebruik van de vrije tijd. Neem het vliegtuig naar de Bahamas, en daar zult u zien hoe mooi het is, hoe interessant het is en hoe amusant etc. Maar dan is de vrije tijd volledig vernietigend voor de mens.
Daarom zeg ik, het spel is nog niet uitgespeeld, er is nog een minuut, we zijn nog niet in het 25ste uur.

Waarom zegt u dat een technische cultuur onmogelijk is?

Een technische cultuur is onmogelijk omdat de cultuur altijd onverwachte elementen veronderstelt. De verschijning van iets nieuws. De techniek repeteert tot in het oneindige wat zij is.
Dus ik wil niet zeggen dat technische intelligentie niet mogelijk is; ja, er kan een samenleving ontstaan waarin heel intelligente mensen zich ontwikkelen. Dat is zeker zo, maar intelligent op een gegeven manier.
En aan de andere kant veronderstelt een cultuur de deelname van iedereen. Dat is misschien een beslissend element. Dat wil zeggen men kan geen cultuur fabriceren in Parijs, die dan vervolgens naar alles steden gedistribueerd wordt, zodat het overal hetzelfde zal zijn.
Er bestond een boerencultuur van elke traditie. En wanneer men zegt, zoals men in Frankrijk zegt, dat er nooit een boerencultuur heeft bestaan, dat is van de gekke. Als ik de dansen zie, de liederen, de klederdracht, de feesten: dat is cultuur.
Maar nu, in een technische cultuur, is het onmogelijk om iets te creëren onafhankelijk van de techniek. Ik denk aan iets elementairs. Er bestond vroeger een traditie bij de Franse studenten, die heette: de dag van de Faluche. La Faluche was een studentenmuts. En gedurende twee of drie dagen vulden de studenten de straten en deden van alles, ze maakten liedjes en een heel spektakel, het was amusant en spontaan. Het waren echt zij die het bedachten. Nu is dat absoluut verboden, want de dag van de Faluche houdt het verkeer op. In de steden mag het niet meer. In plaats daarvan organiseert men culturele evenementen zoals het festival van Avignon, maar dat is in Parijs verzonnen, door specialisten. Het is niet het volk dat iets creëert, haar eigen cultuur. Men geeft ze er één die helemaal af is. En met de techniek kan men niet anders. Dat zou een ongelooflijke wanorde opleveren als iedereen zelf een element van de cultuur zou bedenken, als groepen voldoende nieuw zouden zijn. We hadden het over de ecologen, dat was erg kenmerkend, want zij hebben ook gedacht aan het scheppen van een nieuwe cultuur, en zij zijn verslagen. Ze zijn verslagen door de moeilijkheid zich te verzetten tegen de eisen van de technische samenleving en ook door de moeilijkheid om het publiek te laten accepteren wat zij voorstelden. Want het publiek is zo gewend aan een zekere cultureel, technisch model dat als men daaruit stapt het publiek zich verloren voelt.

©  ReRun Producties
Postbus 93021
1090 BA Amsterdam
tel: 020 66 50 959

Ga naar Deel 4