Spice Girls in de achterlanden van Mongolië

Is de culturele diversiteit bestand tegen globalisering?

(Gepubliceerd in Indigo, tijdschrift over inheemse volken, mei 1997)

Het is een cliché: de wereld is veranderd in een dorp. 'Iedereen woont inmiddels wel bij iemand anders in de achtertuin,' zoals een cultuurcriticus het uitdrukte. Via supersonisch luchtverkeer, wereldhandel, telecommunicatie, televisie en, de laatste jaren, ook het internet, zijn de volken op aarde steeds hechter op elkaar betrokken. Wordt de rijke culturele diversiteit op aarde daardoor fundamenteel bedreigd, of hebben pessimistische toekomstkijkers een veel te starre opvatting van 'cultuur'?


Begin jaren zeventig begon de toeloop op het Hopi-reservaat in de woestijn van noord-Arizona een steeds omvangrijker vorm te krijgen. Brutaal traden de ongenode gasten de lemen dorpjes op de tafelbergen binnen, op zoek naar wat er van hun gading was. Toeristen kwamen voor de exotische plaatjes en hippies voor de mystieke spiritualiteit. Voor Mina Lansa van het dorp Old Oraibi was op gegeven moment de maat vol. Bij de ingang van het dorp plaatste de oude vrouw een bord met daarop de volgende tekst: 'Omdat de blanke man niet in staat is gebleken onze wetten te respecteren, noch die van hemzelf, is dit dorp vanaf heden niet langer toegankelijk.' Het bord baarde opzien. De inheemse krant Akwesasne Notes drukte er een foto van af die twee volle pagina's besloeg. Mina Lansa's tekst werd tot een symbool van een herwonnen zelfvertrouwen. Maar de assertieve daad kun je ook met een zekere argwaan beschouwen. Want een op zichzelf begrijpelijke wens om al te opdringerige vreemdelingen op afstand te houden, kan maar al te makkelijk verschuiven in isolationisme, in een 'afwending van de wereld'.
Wanneer inheemse volken opkomen voor culturele zelfbeschikking, willen zij in de eerste plaats hun mensenrechten erkend zien en zich emanciperen van de onderdrukking die zij ondervinden van de dominante groepen in hun land. Dat streven kan echter, wanneer het benadrukken van de 'culturele eigenheid' een doel in zichzelf wordt, ontaarden in verheerlijking van het eigen volk. Dit risico stelt ook organisaties als het Nederlands Centrum voor Inheemse Volken voor een dilemma. Het NCIV is al sinds jaar en dag een warm pleitbezorger van het behoud van culturele diversiteit. Het steunt de Hopi's en vele andere inheemse volken in hun streven hun culturele identiteit te bewaren. De visie van het NCIV is daarbij dat inheemse volken 'een belangrijk deel van de culturele diversiteit in de wereld vertegenwoordigen, waarvan in het huidige proces van mondialisering veel verloren dreigt te gaan', en dat 'ter bescherming van zowel de culturele als de biologische diversiteit op aarde het noodzakelijk is dat de positie van inheemse volken wordt versterkt en hun rechten worden beschermd.' Het NCIV ziet daarbij de (inheemse) cultuur niet als iets statisch, maar als iets 'vloeiends', onderhevig aan voortdurende verandering en betrokken in een actieve uitwisseling met andere culturen. In dat verband is het van belang zich bewust te zijn van het gevaar van cultuur-essentialisme: de opvatting dat het mogelijk zou zijn om - bijvoorbeeld in de context van inheemse volken - te spreken over één enkelvoudige homogene cultuur, die in de loop van de tijd altijd hetzelfde is gebleven. Alsof je naar die cultuur kan kijken zonder daarbij acht te slaan op de wijdere context: het contact of de interactie met andere groepen, de economische omstandigheden, politieke machtsvragen, historische factoren, etc.

Het beeld dat men heeft van wat uiteindelijk het wezen uitmaakt van een inheemse cultuur, is van belang voor het oordeel dat men geeft over de impact van het globaliseringsproces op inheemse volken.
Sommige commentatoren zien het globaliseringsproces als louter een volgende fase na de tijdperken van de ontdekkingsreizen, het kolonialisme en het imperialisme; er zou niets nieuws onder de zon zijn. Anderen zien de global village als een radicaal nieuw fenomeen met onvoorstelbaar grote sociale en culturele consequenties.
Feit is dat iedere dag meer mensen via beeldscherm, telefoon, fax of modem zijn aangesloten op een wereldomvattend elektronisch spinneweb. Terwijl het Engels steeds meer de leidende wereldtaal wordt (eenvijfde van de wereldbevolking spreekt het nu), sterft onder inheemse volken de ene na de andere taal uit. Vandaag de dag spreken de volken op de wereld zo'n 6.000 talen, en men verwacht dat tegen het jaar 2100 dat aantal zal zijn gedaald tot de helft. 'Taal is cultuur', zo wordt wel gezegd en vanuit die visie betekent deze ontwikkeling een groot verlies aan culturele diversiteit. In de subtiliteiten van de taal wordt immers een gemeenschappelijk veld aan normen en waarden, een gedeelde visie op de wereld, tot uitdrukking gebracht. Iedere keer dat een inheemse taal verdwijnt valt daarmee een 'levende bibliotheek' aan kennis weg. Die kennis heeft zich vaak van generatie op generatie ontwikkeld en strekt zich uit van wetenschap van bijvoorbeeld de voedingswaarde of medische werking van planten, tot meer abstracte en door de tijd beproefde inzichten bijvoorbeeld over de meest adequate inrichting van een samenleving.

De in Engeland gevestigde International Society for Ecology and Culture (ISEC) is een organisatie die zich luid en duidelijk opwerpt als tegenkracht tegen de uniformiserende tendens die de economische globalisering met zich mee lijkt te brengen. ISEC vreest dat in de mondiale smeltkroes spoedig alleen nog resten van culturen te vinden zullen zijn, in de vorm van folklore, kunst en eetgewoonten. In de nieuwe universele monocultuur die zich aftekent zijn de Spice Girls even bekend in de achterlanden van Mongolië als in de binnenstad van Londen. Teken aan de wand is dat een gemiddeld kind in de geïndustrialiseerde wereld is in staat honderden merklogo's te herkennen, maar niet meer dan een paar lokale plantensoorten, kinderen worden - zegt ISEC - systematisch losgekoppeld van de plaatsen waar ze leven.
'Vandaag dringt een enkelvoudig model zich op aan elke uithoek van de planeet, en in dat proces uniformiseert het culturen en vaagt het aanpassingen weg die mensen verbinden aan hun lokale omstandigheden.' Als gevolg van het globaliseringsproces zien miljoenen mensen zich gedwongen hun land te verlaten en in de steden te gaan leven, hopend op een beter leven. Terwijl in 1900 slechts eentiende van de mensheid in steden woonde, is dat aantal nu gegroeid tot de helft. De Zweedse Helena Norberg-Hodge is directeur van ISEC. In de jaren zeventig en tachtig deed zij onderzoek naar hoe de traditionele cultuur van Ladakh in noord-India radicaal veranderde onder invloed van de intrede van de markteconomie. 'Tv, reclame, en toerisme stellen het stedelijke westerse leven en de consumptiecultuur als superieur voor. Vooral jongeren blijken erg gevoelig voor de media images en worden ertoe gebracht hun eigen cultuur af te wijzen, met name het werk op het land. Werken als visser of boer wordt nu als primitief gezien.' Als alternatief voor uniformisering die de globalisering teweeg brengt ziet ISEC een herwaardering van regionale, kleinschalige ontwikkeling, ofwel een 'turn towards the local'.

Maar er vallen ook positieve waarderingen van het globaliseringsproces te beluisteren. Nu alle volken steeds meer op elkaar betrokken zijn, geeft deze unieke situatie aanleiding tot allerlei creatieve culturele mengvormen en kruisbestuivingen. Men spreekt wel van een uniek proces van 'hybridisering' van culturen. 
'De wereld is ongetwijfeld door de media één geworden. Maar met de eenvormigheid lijkt het ondanks eeuwen van sombere prognoses mee te vallen. De eenwording die met steeds nieuwe media en technieken voortdurend verder schrijdt, is inderdaad een revolutionaire maatschappelijke en culturele trend die we moeten proberen te doordenken en beoordelen. Maar we schieten er niets mee op als we haar bij voorbaat aan eenvormigheid gelijkstellen. Wie alleen dit laatste aspect ziet levert zich, ondanks al zijn hooggestemde cultuurkritiek, juist kritiekloos uit aan een ontwikkeling waar hij zich machteloos en afzijdig tegenover stelt.' Aldus de filosoof Hans Achterhuis onlangs in Trouw. Hij lijkt zich vooral uit pragmatische overwegingen af te zetten tegen de angst voor eenvormigheid, omdat we daar immers 'niets mee opschieten' en pleit er in feite voor om er, gezien de omstandigheden, maar het beste van te maken. Volgens Achterhuis kan binnen de technologische cultuur verscheidenheid zelfs gecultiveerd worden. Hij pleit voor een vasthouden aan het eigene 'ondanks, of juist dankzij wereldwijde culturele beïnvloeding' en voegt daaraan toe: 'als multimedia niet alleen wereldwijd maar ook regionaal en lokaal ingezet blijken te worden, laat dat zien dat verscheidenheid behouden kan blijven, ja misschien zelfs versterkt kan worden.'
Het steeds verder verbreide gebruik van informatietechnologie onder inheemse volken lijkt een bevestiging van Achterhuis' verwachting, maar het blijft een open vraag of deze snelle nieuwe ontwikkeling niet op gespannen voet komt te staan met meer conventionele elementen binnen de inheemse cultuur, zoals bijvoorbeeld de tradities van orale overlevering en verhalen vertellen. Een effect zou kunnen zijn dat de 'elders', de Ouderen, als hoeders van het culturele erfgoed, aan gezag inboeten en de inheemse cultuur als gevolg van een te snelle verandering ontwricht raakt.
Toen hij nog minister van Ontwikkelingssamenwerking was waarschuwde Jan Pronk in Bijeen voor het verabsoluteren van het recht op zelfbeschikking: 'Steeds meer etnische minderheden strijden de laatste jaren voor een eigen grondgebied ... Ik ben er geen voorstander van om die allemaal een eigen stukje grond te geven. Dan krijg je het Droste-effect; je creëert nieuwe etnische minderheden en dus een nieuwe bron voor gewelddadige conflicten.' Volgens Pronk kan men beter op zoek gaan naar een vorm van pluriformiteit binnen de nationale staat. Daarbij acht hij niet alleen de eigen culturele identiteit belangrijk als factor in de ontplooiing, maar ook het contact met anderen: 'Als de eigen identiteit van één groep maatgevend is, dan ben je naar binnen gekeerd.' In het contact tussen twee culturen bepleit Pronk niet zozeer de wederzijdse tolerantie. 'Dan kun je altijd nog langs elkaar heen leven', zegt hij. Belangrijker zijn voor hem het wederzijds respect en de wederzijdse verrijking. 'Anders krijg je culturele inteelt.'
Soms kan de wederzijdse verrijking er ook uit bestaan dat men uit het contact met een andere samenleving leert hoe het niet moet. In een recente uitgave van Bijeen bericht Alma de Walsche over de Aymara-Indianen op de Peruaanse hoogvlakten, die een poging doen zich te onttrekken aan de zuigkracht van de globalisering. Deze Aymara's kiezen ervoor hun eigen ritme te volgen, een ritme 'dat wordt aangegeven door de hartslag van Moeder Aarde.' De inheemse organisatie Chuyma Aru ('Het hart van de Aymara's'), heeft zich ten doel heeft gesteld de traditionele en eeuwenoude Aymara-cultuur te revalideren, 'de akkers en heel de natuurlijke omgeving te doen schitteren, door je werk te doen met respect en tederheid'. Het resultaat van dit culturele versterkingsproces, aldus Nestor Chambi van Chuyma Aru, is 'méér van alles: méér voedsel, méér verscheidenheid, méér gemeenschapsleven, méér genegenheid, méér bloei, méér en voller leven'. Nestor Chambi studeerde cum laude af aan de landbouwuniversiteit. Hij was betrokken bij de toepassing van de groene revolutie in Peru, die er uit bestond dat de westerse mono-landbouwcultuur ook in het afgelegen Aymaragebied werd geïntroduceerd. Uit de eerste hand leerde Chambi de catastrofale ecologische gevolgen kennen van deze manier van landbouw bedrijven. Alma de Walsche stelt Nestor Chambi de vraag of de Aymara's zich met hun alternatief niet op een eiland terugtrekken. Zijn antwoord is heel duidelijk.
'Wij zijn geen fundamentalisten. We geloven wel dat een aanpak vanuit de kennis van de mensen zelf, op deze plek van de aarde, in deze agrarische samenleving, de beste is ... Wij hebben gekozen. Met president Fujimori hebben we onze les wel geleerd: in dit neoliberale economische model is er geen plaats voor ons ... Dit systeem spuwt ons uit. Ook wanneer wij, Indianen, studeren en ons een weg proberen te banen binnen het systeem, blijven we altijd de mindere, we worden nooit als volwaardig lid aanvaard. We kunnen beter zelf ons bestaan in handen nemen en zorgen dat we het goed hebben ... Weet je, de natuur, een mens, ons hele cultuursysteem is als een dier. Wanneer het nieuw voedsel krijgt aangeboden, probeert het dat uit. Als het goed bevalt, geeft het kracht en wordt het aanvaard. Anders wordt het uitgebraakt. De stad wordt in de toekomst voor ons misschien best verteerbaar ... Wij zijn niet tegen verandering. Als een initiatief dat van buitenaf komt, ons doet groeien, integreren we het als iets van ons. Is dat niet het geval, dan verdwijnt het weer.'
Daarmee geeft Chambi aan dat zijn inheemse organisatie in het valse dilemma tussen kiezen voor 'culturele apartheid' of omarmen van mondiale standaardisering, een eigen weg zoekt. In een actieve dialoog met de buitenwereld wordt 'het nieuwe' eerst getoetst op haar wenselijkheid binnen de bestaande traditionele cultuur voordat het zonder meer wordt toegelaten. Het probleem blijft daarbij natuurlijk altijd dat negatieve bijeffecten van technische vernieuwingen zich vaak pas veel later openbaren, en dan is het te laat om de geest weer in de fles te krijgen.

© Jan van Boeckel, Indigo, mei 1997.