Over het leren van de taal der vogels
Drie boeken over postmodernisme en milieucrisis

(Gepubliceerd in Indigo, tijdschrift over inheemse volken, nr. 10, dec. 1996, pp. 7-9)


In de westerse, industriële wereld, is de mens tegenover de natuur komen te staan. Het respect voor de heiligheid van de natuur is verdwenen, Moeder Aarde leek zonder probleem te kunnen worden ontgonnen en uitgebuit. De gevolgen van deze achteloze houding beginnen zich nu duidelijk af te tekenen: grondstoffenschaarste, broeikaseffect, gat in de ozonlaag, etc.
Gegeven deze milieucrisis, houdt de zogeheten milieufilosofie zich bezig met de fundamentele vraag, wat de plaats is (of zou moeten zijn) van de mens in de natuur. Opvallend is dat er binnen deze discipline steeds meer belangstelling ontstaat voor alternatieve visies op omgang met de natuur, zoals die bijvoorbeeld bestaan (of hebben bestaan) bij inheemse volken. Die interesse valt opmerkelijk genoeg samen met de opkomst en verbreiding van het postmodernisme, een nieuwe filosofische grondhouding waarbij radicaal afstand lijkt te worden genomen van de voorheen zo geruststellende zelfverzekerdheid en -ingenomenheid van het Westen. Jan van Boeckel bespreekt drie boeken waarin de relevantie van dit postmodernisme voor het aanpakken van de milieucrisis centraal staat.



Het woord 'postmodernisme' heeft geen betekenis, gebruik de term zoveel als je maar kan." Met dat citaat uit een eigentijds, alternatief woordenboek opent de Australische auteur Arran Gare zijn boek Postmodernism and the Environmental Crisis. Volgens Gare hebben opvallend veel cultuurtheoretici zich aan dit advies gehouden. Vervolgens tracht Gare een eigen definitie te geven van postmodernisme. Terwijl mensen in vroeger tijden tot in zekere mate in staat waren zichzelf en de eigen activiteiten in historisch perspectief te plaatsen, en er brede overeenstemming bestond over wat de nastrevenswaardige doelstellingen waren, is het kenmerkend voor de postmoderne cultuur dat een dergelijk oriëntatiekader ontbreekt.
Gare wijst op het verband tussen de huidige ontwikkelingen op wereldschaal en de opkomst van het postmodernisme. Door de verspreiding van het kapitalisme en een wereldomvattend mediasysteem is de wereld steeds verder geïntegreerd geraakt. De rijken van de wereld hebben onderling meer contact dan met de mensen uit hun geografisch nabije omgeving. Nationale identiteiten worden ondermijnd, terwijl inheemse culturen in opkomst zijn. De toekomst behoort niet langer uitsluitend toe aan de Kaukasiër. Gare: 'Het ongeloof met betrekking tot grote verhalen kan in zekere zin worden begrepen als desoriëntatie die hierdoor is veroorzaakt.'
De term 'grote verhalen' is een sleutelterm in het postmodernisme. De meest gebruikte omschrijving van de postmoderne levenshouding is die van de Franse filosoof Lyotard: Men hecht niet langer geloof aan grote verhalen als 'de bevrijding van de uitgebuitenen', 'de voortdurende toename van de welvaart' of 'de opmars van de rede'. Dergelijke aansprekende thema's, of zo men wil dogma's, plachten horden mensen in beweging te brengen. Wat in de postmoderne tijd optreedt, het verlies aan geloofwaardigheid van dergelijke 'verhalen', is in wezen een verlies van het geloof in vooruitgang. En dat terwijl sinds de oude Grieken de Europese beschaving juist door dit geloof is voortgestuwd. Zonder geloof in vooruitgang valt de gehele structuur van de westerse cultuur ineen.
De term 'postmodern' zegt het al: het is een fenomeen dat opkomt na het modernisme. Misschien is nog het best te begrijpen waarmee we te maken hebben door te kijken naar datgene waar het postmodernisme zich tegen afzet.
'Modernisten' geloven dat de menselijke rede, zoals die wordt uitgedrukt in de wetenschap, het allerhoogste is en nergens door wordt beperkt. Zekere kennis over de wereld is theoretisch mogelijk. De geheimen van de natuur liggen als het ware te wachten om te worden onthuld door de menselijke intelligentie. Religie is daarbij een mythische vorm van bewustzijn, een overblijfsel van een premoderne wereldvisie.
Voor de moderne geest is taal een weerspiegeling van de werkelijkheid, en staat zij los van het menselijk handelen. 'Ware' uitspraken worden opgevat als 'spiegel van de natuur'.
Door verschillende oorzaken verzwakte het moderne wereldbeeld. Zo waren er nieuwe inzichten in de quantumtheorie, die leerden dat de werkelijkheid, zelfs op het meest fundamentele atomaire niveau, voortdurend in beweging is, en dus uiteindelijk nooit definitief kenbaar is. Het begrip 'werkelijkheid' kwam steeds meer tussen aanhalingstekens te staan.
De modernisten streefden er nog naar om de werkelijkheid objectief te ontdekken en te kennen. Hun doel was dat alle mensen in alle tijden en op alle plaatsen het eens zouden zijn over bijvoorbeeld de uitspraak dat groen gras ook werkelijk groen is.
Maar met het postmodernisme verschuift de aandacht naar de taal. Het gaat dan niet meer om de wereld, de werkelijkheid zelf, maar over hoe wij over die wereld spreken. Over hoe wij verhalen maken over die wereld. In Postmodern Environmental Ethics noemt Max Oelschlaeger dit het 'taalkundige keerpunt'. De postmodernisten benadrukken dat mensen nooit, ongeacht plaats of tijd, buiten hun taal kunnen gaan staan. Ze kunnen geen beschrijving van de werkelijkheid buiten hen zelf om geven. Zij gingen taal vooral zien als iets dat vorm geeft aan de wereld die mensen bewonen, en steeds minder als een afspiegeling van een (van de mens onafhankelijke) realiteit.
Het boek Reinventing Nature? is de neerslag van een conferentie aan de universiteit van Californië onder dezelfde titel. De auteurs keren zich, zoals de ondertitel van het boek ook al aangeeft, tegen het zogeheten deconstructivisme, een variant van het postmodernisme. In essentie is de visie van 'deconstructivisten' (met name de filosofen Derrida en Lyotard) dat alle teksten, verslagen, verhalen, niets anders zijn dan beschrijvingen van een wereld, die zelf verder niet te kennen is. Een woordenbrei, kortom, die op zichzelf is komen te staan. Begrippen als 'waarheid' zijn niet langer relevant. Deconstructieve postmodernisten geloven dat het moderne tijdperk is gebaseerd op een mislukte Verlichting, op kapitalistische en wetenschappelijke 'verhalen' die eerst moeten worden verstoten voordat de cultuur zich kan vernieuwen. Deconstructieve analyse is, letterlijk, het aandachtig lezen van een tekst om de onderliggende ideologie en aannames te achterhalen. Dit type analyse is gebruikt om onderzoek te doen naar de realiteitswaarde van geschiedenis, waarheid, God, democratie, de ziel, wetenschap, technologie, etc. Deze ideeën werden vervolgens gezien als kunstmatige samenstelsels van tekst, toevallige menselijke uitvindingen die worden gehandhaafd dankzij intellectueel dogmatisme en politieke en economische macht. Deconstructivisme is in die zin op te vatten als een radicale twijfel over de mogelijkheid om met taal samenhangende betekenis uit te drukken.
Door die twijfel raakt alles op losse schroeven en dat kan politiek verlammend werken. Het kan er bijvoorbeeld toe leiden dat het niet langer mogelijk is een kritisch oordeel te vellen in de trant van "Y is beter dan Z", omdat zoiets - in postmodernistisch jargon - een logocentrische aanname zou zijn.
De verschuiving van doorvorsen van 'de realiteit' naar het bestuderen van hoe over die realiteit wordt verteld heeft vanzelfsprekend grote consequenties voor hoe over 'de natuur' gedacht wordt. In het boek Reinventing Nature betoogt Paul Shepard dat om er - deels gelegitimeerd door die postmoderne houding - overal nabootsingen ('simulaties') van originelen ontstaan. Het directe contact met de natuur raakt verloren. Om de postmodernisten hangt een leunstoel- of koffiehuisgeur, schrijft Paul Shepard. "Lyotard en zijn companen hebben geen voeling met aarde, bladeren of grond. Ze lijken geheel te leven in een gemaakte wereld, in plaats van in een wereld die door groei zijn vorm heeft gekregen. Het lijkt erop dat we bezig zijn te laten zien dat de werkelijkheid niet te benaderen is." Shepard is vooral beducht voor de cultuurfilosofische implicaties van de opkomst van het postmodernisme.
Om duidelijk te maken wat hij bedoelt stelt hij zich de vraag wat er eigenlijk mis is met namaakbomen. Voor Shepard zijn kunstbomen die je bijvoorbeeld in kantoren en restaurants ziet, niet louter een praktische nabootsing. De boodschap die ze geven is dat de bomen waarnaar ze zijn gemodelleerd zelf niet meer dan omhulsels zijn. De enige tekortkoming is dat je nog steeds kan zien dat het plastic is, maar dat is, aldus Shepard, slechts een kwestie van tijd en technologie. Er komt een moment dat het aanvaardbare vormen zullen zijn.
De vraag over wat er verkeerd is met plastic bomen veronderstelt dat de natuur vooral interessant is als spektakel. De boom ontwikkelt zich niet langer als deel van zijn organische en anorganische omgeving; hij is louter een vorm, zoals beelden op een oude foto.
De Australiër Allan Gare deelt Shepards angst voor een postmoderne namaak-wereld. In het huidige tijdsgewricht zijn originele kunstenaars, architecten of schrijvers niet langer noodzakelijk, laat staan nuttig, constateert Gare. Mensen gaan steeds meer 'doen alsof': "Ze eten in sushi bars, kleden zich als boeren of mediteren als heilige mannen uit India. Maar altijd met één verschil - hun nabootsingen hebben meer stijl dan de originelen. Postmoderne mensen zijn poseurs die ervan uitgaan dat ze superieur zijn aan degenen voor wie zij zich uitgeven; en in het proces verliezen de originelen aan waarde."

Er is een duidelijke waterscheiding onder milieufilosofen die zich met postmodernisme bezighouden. De ene groep ziet de beweging als een nieuwe, frisse wind, die inspiratie biedt om op een andere manier tegen de vooroordelen en ideologieën van het Westen aan te kijken. Omdat alle grote verhalen meedogenloos worden 'gedeconstrueerd', blijven er alleen een eindeloze hoeveelheid kleine, lokale verhalen over, die een stuk minder pretentieus zijn - zo beweren ze. Het is op dit punt dat de 'verhalen' van inheemse volken opeens midden in de belangstelling zijn komen te staan. Maar zoals zal blijken kunnen de meningen over de waarde ervan in het licht van de milieucrisis totaal verschillen.

In Postmodern Environmental Ethics staat Jim Cheney stil bij de grote betekenis van taal binnen inheemse culturen. Hij citeert Paula Gunn Allen (Laguna Pueblo/Lakota), die spreekt over de westerse meta-mythe dat er zoiets zou bestaan als een te bepalen feit, een juiste verklaring, en een werkelijkheid die men buiten menselijke bemiddeling om zou kunnen bepalen. Volgens Cheney is de interpretatie die zij geeft van mythen, rituelen en visioenen in haar tribale cultuur duidelijk postmodern: Voor haar is het begrip "mythe" synoniem aan "fabel", niet aan het begrip "geloof". "Een mythe", aldus Gunn Allen, "is een uitdrukking van de tendens om machtsverhalen te maken van het leven dat we in onze fantasie leven. Dankzij mythen beschikken we over een referentiesysteem waarmee we in staat zijn onze waarnemingen en kennis te ordenen en daarmee te begrijpen."
Volgens Cheney zijn we in 'het postmoderne Westen' nog maar net begonnen om dergelijke mogelijkheden van taal te onderkennen. Het postmodernisme stelt ons in staat taal op te gaan vatten als iets dat uitdrukking geeft aan de manier waarop we onszelf, de wereld en de gemeenschap begrijpen; een begrijpen dat bewust rekening houdt met onze ethische verantwoordelijkheid voor de gezondheid en het welzijn van het individu, de gemeenschap, en de natuur. "Deze postmoderne mogelijkheid is reeds actueel in de wereld van tribale mythen en rituelen." - aldus Cheney.
Cheney voert aan dat er geen algemene oplossingen zijn voor de huidige milieuproblemen. Oplossingen zijn er alleen in relatie tot specifieke ecosystemen waar groepen mensen wonen. Een duurzame vorm van overleven op een plek, binnen een gebied, geeft mensen de mogelijkheid de fundamentele ritmen, het tempo, de structuur en dynamiek van bepaalde ecosystemen te ontdekken. Geïnspireerd door inheemse volken zouden mensen voor zichzelf wat hij noemt 'bioregionale verhalen' kunnen maken; verhalen die een uitdrukking zijn van het feit dat de mens zich onderdeel weet van de natuur en van de lokale kennis van de verbanden tussen het menselijke en het niet-menselijke. Cheney geeft een prachtig citaat over de verhouding tussen Indianen in het Amerikaanse noordwesten en de zalmvis:

"Zalm is de letterlijke belichaming van de wijsheid van het lokale, van de bron. De zalm is de wijsheid van de noordwestelijke bioregio. Zij zijn de oude zielen, de achtbare kinderen van het land. (...) De zalm is niet louter een projectie, een symbool van een innerlijk proces, zij is eerder de belichaming van de ziel die ons allen voedt. (...) Voor de eerste volken van het Amerikaanse noordwesten, was de zalm niet alleen voedsel. Voor hen vormden de zalmen een volk dat ver weg onder de zee in huizen leefde. Elk jaar gingen zij erop uit om het mensenvolk te bezoeken, omdat de Indianen hen altijd als eregasten behandelden. Wanneer de leden van het zalmvolk reisden, trokken zij hun zalmvermomming aan en lieten ze die achter op misschien dezelfde wijze als dat wij bloemen en voedsel achterlaten wanneer we vrienden bezoeken. Voor Indianen was de zalm een bron in de diepe betekenis van het woord: grootse, genereuze wezens wier giften het leven schonken. (...) De Indianen begrepen dat de gift van de zalm het betrok in een ethisch systeem dat in iedere hoek van hun omgeving weerklonk. Het inheemse landschap was een democratie van geesten, waar iedereen luisterde, en ervoor zorg droeg de bron waar ze deel van uitmaakten niet te beledigen."

Vanuit de gedachte dat 'alles taal is', probeert ook Christopher Manes in hetzelfde boek tot oplossingen voor de milieucrisis te komen. Hij begint zijn essay met een citaat van een Tuscarora-Indiaan, die eens gezegd zou hebben dat in tegenspraak met de ervaringen van zijn volk, voor westerlingen 'de niet meegetelde stemmen van de natuur sprakeloos zijn'. In onze cultuur is de natuur stil, de status van sprekend subject wordt angstvallig voorbehouden aan de mens. In animistische culturen daarentegen, waar men de natuur als begeesterd ziet, worden niet alleen mensen maar ook dieren, planten en zelfs 'levenloze' zaken als stenen en rivieren gezien als verstaanbare en bij gelegenheid begrijpelijke subjecten. Naast de menselijke taal is er ook een taal van vogels, de wind, aardwormen, wolven en watervallen - een wereld van zelfstandige sprekers wier bedoelingen men (zeker als jager-en-verzamelaar) niet zonder gevaar kan negeren.
Ons idioom met zijn geloof in de rede, het verstand en de vooruitgang, heeft een immens rijk van stilten geschapen, een wereld van 'niet-gezegden' die we natuur noemen. Als de neiging om de natuur te willen beheersen berust op deze leegte, dan moeten we overwegen of we niet alleen een nieuwe ethiek moeten aanleren, maar ook een nieuwe taal: 'een taal die vrij is van de richtlijnen van het humanisme en dat een gedecentreerd, postmodern, post-humanistisch perspectief omvat. We hebben een taal nodig die een grondhouding van ecologische nederigheid uitdrukt, waartoe de zogeheten deep ecology-richting in de milieubeweging tastenderwijs probeert te komen. Binnen deep ecology probeert men zich een nieuwe taal aan te leren; een taal die zich los heeft gemaakt van de obsessie met menselijke superioriteit en die een uitdrukking is van de nederigheid die voortkomt uit evolutionaire theorie, ecologische wetenschap en postmodern denken. Een sprong weg van de retoriek van het humanisme, waarin de mens centraal staat. Daarbij valt, aldus Manes, veel te leren van inheemse culturen, met hun aandacht voor hun omgeving en de processen die zich daar voltrekken. Openstaan voor ecologische kennis betekent, in overdrachtelijke zin, het opnieuw leren van de taal der vogels - de passies, pijnen, en cryptische bedoelingen van de andere biologische gemeenschappen die ons omgeven en in stilte ons bestaan doordringen.
De filosoof Mircea Eliade, die een omvattende studie verrichte naar het sjamanisme, schreef: 'Op de hele wereld stond het leren van de taal van dieren, met name die van vogels, gelijk aan het kennen van de geheimen van de natuur.' Voor de meeste westerlingen is dit bijgeloof en irrationaliteit, maar Manes pleit er juist voor dit 'animisme' terug te winnen. De meeste animistische samenlevingen, zegt hij, hebben het grootschalige milieuvernietiging voorkomen. Veel inheemse groepen hebben geen woord voor 'wildernis' en tussen wild en gedomesticeerd leven. De spanning tussen natuur en cultuur werd nooit zo acuut dat er een probleem ontstond.
Terwijl de meeste biologen onderscheid maken tussen 'hogere' en 'lagere' dieren, met in hun achterhoofd het idee dat de mens, Homo sapiens, bovenaan deze indeling staat, spreken maken veel Indiaanse volken indelingen in 'tweevoetigen', 'viervoetigen', of 'gevleugelden'.
Vanuit een ecocentrisch perspectief krijgt men er oog voor dat er in de natuur geen hoger of lager, eerste of tweede, beter of slechter bestaat. Als schimmels, een van de 'laagste' levensvormen op een humanistische waardeschaal, morgen zouden uitsterven, zou het effect op de rest van de biosfeer catastrofaal zijn, omdat bijvoorbeeld de gezondheid van een bos afhankelijk is van het schimmel Mycorrhyzal.

De bioloog Michael Soulé moet niets hebben van dit soort 'doctrines' van wat hij noemt 'New Age postmodernisten'. Het postmodernisme zorgt voor heel wat verwarring. In het laatste hoofdstuk van Reinventing Nature spreekt Soulé van de postmoderne 'mythe van de westerse morele inferioriteit'. De westerse cultuur is in zijn ogen niet per definitie slechter ten opzichte van de levende natuur dan andere tradities. Wat voor 'het Westen' pleit, zegt hij, is dat de beweging om nationale parken in het leven te roepen is begonnen in de Verenigde Staten en dat een paar van 's werelds beroemdste natuurbeschermers hier vandaan komen.
De mythe van de inferioriteit gaat vaak gepaard met de gevolgtrekking dat het geloof van inheemse volken, met name van inheemse Amerikanen, altijd handelen vanuit een voorbeeldige manier jegens de natuur en er grote eerbied voor koesteren. De relatief beperkte inbreuk van inheemse volken zou wel eens voort kunnen komen uit hun lage bevolkingsaantal en het feit dat ze niet beschikken over vee, of over vuurwapens, of over aardolie verbruikende machines. Naar het schijnt hebben inheemse volken, aldus Soulé, geen speciale terughoudendheid wanneer ze te maken krijgen met nieuwe technologieën.
De mythe van westerse minderwaardigheid is daarom zo schadelijk, stelt Soulé, omdat de diagnose verkeerd wordt gesteld: de oorzaak van de menselijke ongevoeligheid wordt ten onrechte gelegd bij de cultuur. Maar bijna iedereen - ongeacht zijn of haar etnische afkomst - wil uiteindelijk toch een welvarend en veilig leven. Het hoofdprobleem voor Soulé is de menselijke hebzucht. Hebzucht, zo leren de grote religieuze tradities en de evolutionaire biologie ons, is een meer fundamentele kracht dan de cultuur. En de gevolgen ervan - zeker als men via gebruik van technologie in staat is rijk te worden - zijn voorspelbaar.
Soulé zet vraagtekens bij het geloof dat inheemse volken beter om zouden gaan met wildernisgebieden dan westerlingen. Heilzame omgang met wildernis berust op twee factoren, zo voert hij aan: een lage bevolkingsdichtheid (hoog sterftecijfer of geboortenbeperking) en een beperkte blootstelling aan consumentisme en moderne technologie. Het is daarom riskant te concluderen dat niet-westerse volken altijd de beste rentmeesters zijn van relatief ongerepte wildernis, met name wanneer zij zich bevinden in een integratieproces in de op groei en consumptie georiënteerde wereldeconomie.
Beleidmakers zouden, aldus Soulé, beducht moeten zijn als een groep zichzelf ethisch superieur acht. Sommige inheemse volken kunnen voortreffelijk werk doen, anderen niet. In de meeste gevallen, concludeert hij, komt het beste beleid tot stand door een combinatie van inzichten uit de wetenschap, economie, antropologie, sociologie en kennis van lokale inheemse groepen.

Voor veel milieufilosofen slaat het postmodernisme te ver door wanneer vanuit de radicale twijfel de legitimiteit van wetenschappelijke waarheid wordt ontkend. In de context van de ecologische crisis leidt ook dit naar een doodlopende weg, aldus Max Oelschlaeger: zonder het vellen van een wetenschappelijk oordeel is de mensheid simpelweg niet in staat om gaten in de ozonlaag, het uitsterven van soorten, klimaatsverandering en andere aspecten van de ecocrisis te benoemen.
Oelschlaeger wil die doodlopende straat niet in maar ziet meer heil in wat hij een reconstructief postmodernisme noemt. Het kind moet niet met het badwater worden weggegooid. Naast een kritische analyse van de dominante denkwijzen wordt ook gewerkt aan het uitdenken van alternatieven.
Allan Gare wijst op een andere bedenkelijke kant van een te relativistisch postmodernisme. Geïnspireerd door het postmodernisme kan iemand pleiten voor de waarde van lokale culturen tegenover het mondialiseringsproces, en van lokale kennis en macht tegenover mondiale dominantie. Maar degene die dat doet moet volgens Gare wel onder ogen zien dat die opstelling ruimte biedt voor rechtvaardiging van zeer uiteenlopende groepen. Zo kunnen de acties voor natuurbehoud van de inheemse Chipko-beweging in noord-India ermee worden gerechtvaardigd, maar evengoed ook de uitroeiing van Indianen en de exploitatie van grondstoffen door een lokale, niet-inheemse bevolking in het Amazonegebied. 'Lokaal' of 'inheems' is geen garantie voor 'goed'. Maar wie weet of durft in deze verwarrende tijd überhaupt nog te zeggen of het een beter is dan het ander?

© Jan van Boeckel

Michael E. Soulé & Gary Lease, (eds.)
Reinventing Nature? Responses to Postmodern Deconstruction, Island Press, 1995,  ISBN 1-55963-311-5
Postmodern Environmental Ethics, Max Oelschlaeger (ed.), State Univ. of New York Press, 1995, ISBN 0-7914-2548-7
Postmodernism and the Environmental Crisis, Arran E. Gare, Routledge, 1995, ISBN 0-415-12479-4