Laat je flora maar thuis
Jan van Boeckel
Karin van der Molen
Voornamelijk omgeven door muren, straten en gebouwen, komen de meeste mensen nauwelijks nog in rechtstreeks contact met de natuur. Onze leefomgeving is langzaam veranderd van een biotoop in een ‘technotoop’. Dat ontbreken van een band met de natuurlijke omgeving lijkt voor veel mensen ook een gevoel van onverschilligheid met zich mee te brengen voor hoe die natuur er inmiddels voorstaat. Een voorwaarde om deze situatie te kunnen veranderen lijkt te zijn dat mensen op de een of andere manier hun ontvankelijkheid voor de natuur hervinden. Daarbij past de gedachte dat inspirerende natuurervaringen misschien een tegenhanger zouden kunnen zijn tegen alle onheilsberichten over klimaatverandering, grondstoffenuitputting of het gat in de ozonlaag. De vraag is echter hoe mensen tot dergelijke ervaringen kunnen komen.
Schone handelingen
De Noorse filosoof Arne Naess is van oordeel dat we bij het zoeken van oplossingen voor de ecologische crisis eigenlijk meer te verwachten hebben van esthetica dan van ethiek. Mensen worden eerder gemotiveerd als ze getroffen zijn door de schoonheid van iets dan door morele verplichtingen. Naess maakt een verhelderend onderscheid tussen “schone handelingen” en “morele handelingen”. Een handeling is moreel als zij overeenstemt met je ethische plicht: dat wat je moet doen vanuit een moreel plichtsbesef. In veel gevallen gaat die plicht in tegen wat je geneigd zou zijn te doen – je doet het eigenlijk liever niet. Een schone handeling daarentegen is een daad waarbij je handelt vanuit een diepere aandrift: je doet wat je écht wilt doen. Volgens Naess kunnen we door spirituele of psychologische ontwikkeling leren om ons niet alleen met andere mensen te identificeren, maar ook met dieren en planten, en zelfs met ecosystemen. We kunnen leren onszelf in die andere schepsels te zien; op die manier worden ze deel van ons bestaan. Door onszelf te vereenzelvigen met onze natuurlijke omgeving, willen we die uit onszelf ook beschermen. Iets wat een opgeheven vingertje van de moraal niet, of in veel mindere mate, kan bewerkstelligen.
Het verlangen om schone handelingen te verrichten is iets wat we op jonge leeftijd kunnen leren. Volgens Naess moeten we misschien opnieuw ervaren hoe het was om als kind de wereld met openheid tegemoet te treden: “We zouden er zeer mee gebaat zijn als we wat meer naar de dingen zouden kijken zoals een kind dat doet. Het is echter erg moeilijk om je opnieuw in te leven in die innerlijke belevingswereld van kinderen. Kinderen zijn meer spontaan: voor hen staan het reflecterende denken en conventionele gebruiken minder op de voorgrond.”
Langzame natuur
De negentiende-eeuwse ecoloog, schrijver en avonturier Henri David Thoreau wilde proberen de natuur op een directe manier te beleven en daarom betrok hij een eigenhandig gebouwde boshut aan de rand van de Walden-vijver in Massachusetts. Later schreef hij in zijn Journals over zijn aanhoudende pogingen om de natuur in zijn meest elementaire vorm te ontmoeten en hoe hij probeerde oude conventies, categorieën, concepten, of wetenschappelijke kennis zoveel mogelijk terzijde te leggen. Om iets echt te kunnen begrijpen, zo stelde hij, moet je het steeds volkomen fris, als een nieuw gegeven proberen te benaderen . “Als je de varens wilt leren kennen dan moet je je flora thuis laten. Je moet proberen los te komen van je vooringenomen kennis daarover.”
Maar stel dat het ons lukt om, zoals Thoreau het noemde, ‘onze flora thuis te laten’ en ons helemaal open te stellen voor de natuur, dan stuiten we al snel op het probleem van de enorme tegenstelling die er bestaat tussen ons snelle moderne leven en het langzame tempo van de natuur. Het vergt een grote omschakeling van onze geest die steeds meer is ingesteld op het razendsnel bevatten van het gecompliceerde verkeerssituaties en op het zappen tussen tv-zenders of het surfen op een computer. In de natuur zijn de geluiden vaak subtiel, en het landschap ligt er onbeweeglijk bij. De natuur lijkt om een andere sensibiliteit te vragen: je kunt het gras niet zien groeien. We hebben dus nieuwe wegen nodig om die (langzame) wereld om ons heen te benaderen en een relatie met de natuur tot stand te brengen.
Op de eerste plaats kunnen we leren om ecologisch waar te nemen: je leert dynamische verschillen op te merken tussen jezelf en het andere, tussen geest en materie. Je kunt leren om op te gaan in de alledaagse dingen die je nabij staan door er de tijd voor te nemen. Door een relatie met de natuur tot stand te brengen gebaseerd op bijzonderheden, bijvoorbeeld de wijze waarop bladeren bewegen in ruimte, of vastzitten aan een tak, wordt de gewoonte van het generaliseren over de natuur als iets wat op afstand staat, doorbroken. Het is een eerste stap naar verandering van onze benadering van de natuur, en die begint met aandachtig en intensief kijken. Vanaf dat punt kan het begrip groeien van wat het inhoudt om zelf een deel van de natuur te zijn.
Een ander spoor
Daarnaast kan de beeldende kunst onze openheid voor het leven en de wereld om ons heen prikkelen en richting geven. Kunst verschaft ons de gelegenheid onze omgeving op een andere manier te bekijken en te benaderen. Bovendien biedt kunst de mogelijkheid om ons op een ander spoor te zetten, en ons uit ons conventionele denkpatroon te halen. Een kunstbeleving kan ertoe bijdragen dat wij onze gangbare opvattingen en handelingen veranderen of vernieuwen. Een kunstwerk kan ons laten zien dat er meer dan één manier is om de wereld te bekijken en zowel tegenstellingen als nieuwe perspectieven blootleggen.
Er zijn tal van voorbeelden uit de Westerse kunstgeschiedenis van kunstwerken die de verhouding van de mens tot de natuur heen beïnvloed en veranderd. De romantische kunstenaar uit de negentiende eeuw beklom de berg en creëerde het vogelperspectief op het landschap; hij leerde ons de schoonheid te zien van de vage blauwe nuances in de verte. De impressionisten lieten ons de kleur van het licht zien onder invloed van het weer, en de schoonheid van de verandering van de natuurlijke verschijnselen. De kubisten deconstrueerden de natuur in vakken en blokjes en probeerden de natuur in harmonie te brengen met een steeds verder industrialiserende samenleving. Veel later dook er onder de abstract expressionisten weer een geheel nieuwe vorm van lyrische natuurbeleving op.
In de afgelopen decennia is een nieuw fenomeen tot bloei gekomen waarbij beeldende kunst zich direct tot de natuur verhoudt: de landschapskunst. Op verscheidene plaatsen in Nederland zijn blijvende uitingen van deze kunstvorm te zien. Het landschap is daar zelf omgevormd tot kunstwerk, zoals bijvoorbeeld het zonneobservatorium van Robert Morris in Swifterbant. In andere voorbeelden is het kunstwerk ontstaan uit natuurlijke elementen uit het landschap, zoals de Groene Kathedraal van Marinus Boezem, die een bos in de vorm van een kathedraal aanplantte bij Almere.
Eco-art of landschapskunst is kunst die plaatsgebonden is: de vorm, het materiaal en zelfs het ontstaansproces van het kunstwerk hebben allemaal betrekking op de locatie. De omgeving zelf kan zelfs een artistiek onderdeel worden. Hiertoe is het belangrijk dat het ontstaansproces begint met een grondige oriëntatie van de locatie: de kunstenaar gaat er een tijd zitten, kijken, ruiken, rondlopen. Meestal omvat het proces ook een onderzoek van de geschiedenis van een plaats, en wordt het kunstwerk betrokken op de verhalen die die plaats vertelt, en de betekenis die de mensen die de plek gebruiken eraan geven.
Veel ecokunstwerken kunnen worden beschouwd als creaties die erop zijn gericht om een verandering in de verhouding tussen individu of gemeenschap en de natuur te bewerkstelligen. Er zijn bekende landschapskunstenaars zoals Andy Goldsworthy of Richard Long, die een respectvolle, bijna sacrale verhouding tot de natuur hebben. Het werk verwijst naar de schoonheid of betekenis van de natuur zelf.
Kunstwerken als deze helpen je om je omgeving op een nieuwe manier te bekijken. Zo kan het aanschouwen van beeldende kunst een middel zijn om de natuur op een nieuwe manier te bekijken. Je kennis, ervaring en inzicht kunnen er door worden verrijkt. Een verstarde manier van waarnemen kan dan worden doorbroken.
Kunstbroedplaats
Het is tegen deze achtergrond dat het project Kunstbroedplaats tot stand is gekomen. In Kunstbroedplaats gaat beeldende kunst een relatie aan met de natuur van Nationaal Park de Weerribben. De initiatiefnemers kozen ervoor de deelnemende kunstenaars met natuurlijke materialen te laten werken, vanuit de gedachte dat de bezoeker aan het natuurpark terloops met de kunstwerken moeten worden geconfronteerd. De objecten moeten als het ware uit de natuur zelf voortkomen, voortbordurend op het tempo, de taal en kleur van het natuurgebied. De verrassing bij ontdekking van iets ongewoons in het water en rietgebied kan dan misschien bijdragen tot het doorbreken van vooropgezette verwachtingen, die ons steeds begeleiden bij een wandeling door de natuur.
Als je geluk hebt klinkt tussen de ruisende rietveldjes onverwachts de roep van een roerdomp. En bij een volgend rietveld groeien plotseling de rietstengels uit tot “helpende handen” in het werk van Els de Meijer.
Ook de werken van Johan Sietzema, Elbeth Cochius, Hedy Hempe en Karin van der Molen komen als het ware op natuurlijke wijze voort uit de planten en de veengrond. Vandaar ontwikkelen ze zich tot betekenisvolle vormen: alsof het riet, de wilgen en het veen besloten hebben zich op die manier opnieuw zichtbaar te maken.
Het achterliggende thema van alle kunstwerken van Kunstbroedplaats is de ontwikkeling van ‘nieuwe natuur’ in Nederland. Ook Nationaal Park de Weerribben wordt voortdurend vormgegeven door menselijk ingrijpen. Het waterpeil wordt kunstmatig hooggehouden en onlangs nog is het gebied aangepast aan de komst van negen uit Litouwen geïmporteerde otters. Over het thema van Kunstbroedplaats vertelt initiatiefnemer Pat van Boeckel: ”Terwijl de discussie over de wenselijkheid van de import van in eigen land verdwenen diersoorten hoog opliep tussen natuurbeschermers onderling, natuurbescherming en boeren, burgers en buitenlui, maakten wij kennis met het beeldende werk van Sake Bos. Hij wilde proberen de oehoe, die al jaren niet meer in Nederland te vinden was, maar wel in Duitsland, over te halen om zich weer in Nederland te vestigen. Bos plaatste een aantal objecten langs de grens met Duitsland. Die vormen leken wel wat op een vogelaltaar of een totem en daarmee wilde hij de oehoe duidelijk maken dat hij weer welkom was in Nederland. En je kunt het geloven of niet maar het wonder geschiedde: na een paar jaar werd er in Twente weer een oehoe gesignaleerd. Of die oehoe zich nu door die kunstwerken heeft laten overhalen weet ik niet, en het doet er eigenlijk ook niet toe. De objecten van Sake Bos hebben wél mensen opmerkzaam gemaakt op het feit dat de oehoe verdwenen was - iets wat ze uit zichzelf misschien nooit hadden opgemerkt - en het heeft ze daarover aan het denken gezet. Wij vonden dat voorbeeld zo inspirerend dat we de uitdaging in de vorm van Kunstbroedplaats hebben overgenomen.”
Kunstbroedplaats probeert de bezoeker aan Nationaal Park de Weerribben op een ander been te zetten. Maar de werken dragen ook het plezier en de vindingrijkheid van de makers ervan uit.
Kunstgebaseerde natuureducatie
Het is in dit verband opvallend dat in de Noordse landen kunst al lang een rol speelt in de natuureducatie van kinderen.
Voor Meri-Helga Mantere, docente aan de School voor Kunsteducatie aan de Universiteit van Helsinki, is het vanzelfsprekend dat de relatie tussen kunst en opkomen voor de natuur elkaar versterkt. Ze zegt erover: “De natuurbelevingen in de vroege kindertijd en de mogelijkheden om als volwassene deze ervaringen op hun waarde te schatten, het leren waarderen van de rijkdom en diversiteit van de natuur en de bereidheid om voor de natuur en een beter milieu op te komen: het is allemaal van elkaar afhankelijk.” In de kunstgebaseerde natuureducatie die Meri-Helga Mantere voorstaat worden de kinderen niet alleen benaderd als consument van beeldende kunst, maar worden ze aangezet om hun ervaringen in de natuur om te zetten in creativiteit.
Kunstzinnige activiteiten bieden gelegenheid om de zintuiglijke, emotionele, symbolische en creatieve lagen van het menselijk bewustzijn te bereiken. Ze kunnen bijdragen tot verscherping of verdieping van onze waarneming en ons ontvankelijk maken voor het mysterie van de wereld waarin wij leven. Op deze wijze zijn we wellicht in staat de natuur en de mensen te ervaren alsof we ze voor het eerst ontmoeten. Ten aanzien van het leren over de natuur biedt kunst dus mogelijkheden die in conventionele benaderingen ontbreken.
De taal van takken
Een mooi voorbeeld van ecokunstonderwijs in de Noordse landen is de tentoonstelling ‘Woorden in de taal van takken’. De kunstenaars Magnus Lönn en Björn Ed zijn erop uit om associaties te zoeken tussen natuurbeelden en taalexpressies. Welke beeldtaal heeft de natuur? Zijn er boodschappen te ontdekken in al die fantastische vormen, kleuren en sculpturen die de natuur ons laat zien? Wat gebeurt er als we de natuur proberen te bekijken zoals zij werkelijk is? Kunnen we de boodschap van de natuur vertalen in onze eigen taal?
Reflecterend over deze vragen, raakten Lönn en Ed gefascineerd door de ‘natuurlijke geschiedenis’ van de letters van het alfabet. Bijvoorbeeld de letter ‘A’: als je hem omdraait heeft hij iets weg van de kop van een stier. Meerdere letter van de klassieke geschreven talen blijken een concrete, fysieke oorsprong in de natuur te hebben. Lönn en Ed voeren dit gegeven van samengaan tussen systemen van taal en natuur nog verder door en stelden zelf een keur aan geschreven talen samen, voortkomend uit de natuurlijke vormen die we om ons heen kunnen ontdekken. Om ons heen bestaat er een wereld van vormen en tekens die ons veel kan leren, maar waar wij ons steeds verder van hebben verwijderd. De tentoonstelling van Lönn en Ed is erop gericht de fantasie van kinderen te prikkelen: zij biedt een mogelijkheid om het metafysische grensgebied tussen natuur en mens binnen te treden. Kinderen kunnen aan workshops deelnemen, waarbij ze hun eigen taal en alfabet mogen creëren. Het idee is om kinderen het plezier in vertalen te laten ontdekken.
Magnus Lönn legt uit: “Deze tentoonstelling kwam voort uit onze behoefte om te onderzoeken wat de natuur ons te vertellen heeft. Met al zijn kleuren, bladeren, sporen, knoppen, etc., kunnen we ons goed voorstellen dat de natuur ons mensen iets te zeggen heeft. Wij maken deel van haar uit en wij moeten er voortdurend aan herinnerd worden dat wij onderdeel zij van alles wat groeit. Bij het kijken naar de natuur projecteren we over het algemeen onze eigen gevoelens op haar. We beschouwen de herfst bijvoorbeeld als ‘de donkere tijd’. Maar eigenlijk is de herfst op zichzelf noch een akelige, noch een opgewekte periode. Het is slechts in onze eigen taal dat we ons zo uitdrukken. We kunnen ons via spel identificeren met een boom of een grasheuveltje, maar ook via een bezoek aan een tentoonstelling als deze, door bijvoorbeeld de boodschap van de natuur te vertalen in onze eigen moedertaal.”
Teddyberen
Natuureducatie zoals hierboven beschreven is vooral op kinderen gericht. Ook in Kunstbroedplaats is een rol weggelegd voor kinderen. Naar aanleiding van een film over verschillende typen vogels die elk op hun eigen manier hun nest bouwen, zijn kinderen van vijf basisscholen onder begeleiding van kunstenaar Andreas Hetfeld een reuzennest gaan bouwen, en daarbij gebruiken ze natuurlijke materialen die zij zelf daarvoor bijeensprokkelden. Het mes sneed aan meerdere kanten: de kinderen konden zich helemaal inleven in de wensen die een vogel voor zijn behuizing heeft, en ze konden hun ideeën daarover omzetten in creativiteit. De band met het kunstnest is groot: voortdurend worden familie en vriendjes mee op sleeptouw genomen om te kijken of er al een vogel is gaan broeden in ‘hun’ nest.
De uitdaging om weer een open relatie met de natuur te vinden is er natuurlijk ook voor volwassenen. Maar dan dient de bezoeker zich wel open te stellen voor het onverwachte. Willem Hoogeveen is een van de deelnemende kunstenaars aan Kunstbroedplaats. Hij kiest niet voor een harmoniemodel van kunst en natuur. Met zijn schuilhut voor teddyberen koppelt hij een kritiek op de heersende mentaliteit van afwijzing van alles wat vreemd is aan de moderne veranderingen in de natuur. Hier geen vloeiende overgang van natuur naar kunst, maar een emotionele roep om flexibiliteit. Toch kan ook dit kunstwerk een rol spelen in ‘kunstgebaseerde natuureducatie’. De mens is immers geneigd om menselijke vormen en relaties in de natuur te zien en hij projecteert zijn eigen behoeftes en tekortkomingen op dieren en planten. Deze projectie is door de kunstenaar in zijn object uitvergroot en door de ‘onnatuurlijke’ uitvoering (een klont van pluche beesten onder een dak van grammofoonplaten) kan het kunstwerk voor een schokeffect zorgen, dat ons even volledig op een ander been zet. Want had je eigenlijk niet gerekend op een ‘milieuvriendelijk’ beeld?
Pieter van de Pol en Andreas Hetfeld proberen met hun beelden mensen op de plaats van dieren te zetten: hoe klein, nietig en kwetsbaar kun je je voelen als je plaatsneemt in het nest op poten van Pieter van de Pol? Liggend op een uitstekende ‘tak’ in het nest, zie je niets dan het hemelgewelf boven je. Het beeld wordt als het ware gespiegeld door de kooi van Andreas Hetfeld: door zijn grootte wordt het symbool van gevangenschap (een kooi voor een paradijsvogel) een teken van vrijheid.
Wildernis
Onze vraag hoe mensen die omringd zijn door een ‘technotoop’ nog tot diepere natuurervaringen zouden kunnen komen, kan natuurlijk op meerdere manieren worden beantwoord. Chinese kunstschilders schilderen een bamboestengel pas op het moment dat ze die bamboestengel voldoende lang hebben bekeken dat ze zich er volkomen mee hebben kunnen vereenzelvigen. Pas op het moment dat ze die bamboestengel geworden zíjn, zetten ze hem in één beweging op het papier. In die beweging is geen plaats meer voor het reflecterende denken en ook zij hebben hun flora thuisgelaten.
De al eerder genoemde Thoreau dacht dat een diepe natuurervaring slechts mogelijk was door zo nu en dan een tijdje in de wildernis te verblijven, en daarmee bedoelde hij een echt bos, een oerbos.
Wildernis hebben we in het door mensen gemaakte landschap van Nederland niet tot onze beschikking en ook de eeuwenoude training van meditatieve culturen in concentratie en geduld behoort niet tot een standaardonderdeel van de Hollandse cultuur.
Nu de natuur in Nederland zo sterk vermengd is met cultuurlandschap kan die cultuur misschien ook wel een bijzondere rol spelen in de natuurbeleving. Mits met respect voor de omringende natuur opgesteld, kan beeldende kunst in de natuur door haar schoonheid aan de ene en schokeffect aan de andere kant, wellicht een nieuwe impuls geven aan het opdoen van inspirerende natuurervaringen.
Meer over de tentoonstelling Kunstbroedplaats en de catalogus waarin dit artikel verscheen is te vinden op www.kunstbroedplaats.nl