'De bizons komen altijd weer terug van onder het meer'

Shepard Krechs historische onderzoek naar het stereotype van 'de ecologische Indiaan'

(Gepubliceerd in Indigo, tijdschrift over inheemse volken, nr. 4, juli/aug. 2000, pp. 4-6)



Het populaire beeld van 'De Nobele Wilde' kom je veelvuldig tegen, in films, reclame en in milieucampagnes bijvoorbeeld. Niettemin is het beeld historisch onjuist en vernederend voor hedendaagse inheemse gemeenschappen, aldus Shepard Krech III in zijn boek The Ecological Indian. Door de 'natuurlijkheid' van inheemse volken zo te benadrukken wordt hun diversiteit en hun cultuur in feite ontkend. In zijn terugblik in de geschiedenis laat Krech uitkomen dat Indianen in de eerste plaats mensen waren, mensen die moesten eten en die, toen de Europeanen in Amerika kwamen, ook met hen handel wilden drijven. Ze hadden een indrukwekkende kennis van de natuur, maar gebruikten die kennis niet altijd even goed - net als alle andere mensen sinds het begin der tijden. Jan van Boeckel las het boek voor Indigo en schreef de volgende beschouwing.


'Incommensurability' noemde de wetenschapsfilosoof Thomas Kuhn het ooit, de omstandigheid dat twee verschillende denkwerelden - of wat hij noemde paradigma's - niet met elkaar te verzoenen zijn. Een groep wetenschappers, schreef Kuhn, verenigt zich rond het eigen paradigma: een samenhangend stelsel van theorieën dat hen een geldig verklarend model biedt om de verschijnselen in de wereld te begrijpen. Maar een andere groep wetenschappers heeft weer een heel ander paradigma dat haar tot richtsnoer dient en waarmee haar leden zich afzetten tegen de denkbeelden van de eerste groep. Door dit conflict telkens opnieuw aan te gaan komt de wetenschap 'vooruit'. De kern van Kuhns idee van onverzoenlijkheid van paradigma's is dat je je, redenerend vanuit het ene denkkader, niet zomaar in de andere denkwereld kunt verplaatsen. Het is als het bekende plaatje van een haas met lange oren. Als je nogmaals kijkt, kun je er opeens een eend met een lange snavel in zien. Maar je ziet of eend, of haas, je kunt ze niet beide tegelijk zien.
Aan Kuhns notie van 'incommensurability' moet ik regelmatig denken bij lezing van The Ecological Indian van de antropoloog Shepard Krech III. Krechs doel is het stereotiepe idee van de altijd even ecologisch bewuste Indiaan te ondergraven. Onderbouwd met veel historische feiten laat hij zien dat het ecologische, wetenschappelijke paradigma moeilijk te verzoenen is met de van spiritualiteit doortrokken paradigma's van Noordamerikaanse Indianen. Men denkt en praat vanuit twee verschillende werelden. Anders gezegd: wanneer een Indiaan in zijn handelen de natuur ontziet, is dat lang niet altijd omdat hij van nature of vanuit een spiritueel wereldbeeld zou weten hoe het ecologisch evenwicht het beste in stand kan blijven. Veel vaker is het weinig meer dan een gelukkig toeval. Het kan voor hetzelfde geld ook heel anders uitpakken. Krech, die geruime tijd bij de Gwich'in en Métis verbleef, geeft legio voorbeelden van Indianen die groot en klein wild (buffels en bevers bijvoorbeeld) overbejagen, de bodem verzouten door verkeerde irrigatie, en onnodig hele stukken bos afbranden.

Zelf stuitte ik een keer op het fenomeen van onverzoenlijke wereldbeelden toen ik een keer een discussie bijwoonde tussen een Amerikaanse natuurbeschermer en een traditionele Navajo-vrouw. De natuurbeschermer verweet de Navajo's met hun schapen het delicate woestijnecosysteem bedreigen door overbegrazing.
'Goed beschouwd', zei hij, 'horen die schapen hier ook niet, omdat ze eeuwen geleden door de Spanjaarden uit Europa zijn meegenomen.' De oude vrouw toonde zich niet onder de indruk: 'Die schapen waren hier altijd al, ze zijn ons door de Creator gegeven - niet door de Spanjaarden.'
Krechs boek zit vol met voorbeelden van dit soort, wat wij als westerlingen zouden noemen, 'mythologische' duidingen. De Plains-Indianen geloofden bijvoorbeeld, dat wanneer de bizons aan het eind van het seizoen verdwenen, ze naar graslanden op de bodem van het meer gingen. De Cheyenne, Arapahoe en andere volken geloofden stellig dat de buffalo in ontelbare aantallen in een land onder de grond leefden. Iedere lente sloeg het overschot aan het zwermen boven de grond, net zoals bijen uit een honingraat. In de negentiende eeuw namen de bizons, vooral door overbejaging door de blanken, sterk in aantal af. Vervolgens kwamen ze uiteraard niet in de door de Indianen verwachte hoeveelheden terug. Maar in hun ogen kwam dit niet, schrijft Krech, omdat er teveel dieren waren gedood, maar omdat ze de prairies op de bodem van het meer nog niet hadden verlaten. Krech vraagt zich retorisch af: 'Als de buffalo ieder jaar uit de aarde terug zou komen omdat ze aan de aarde toebehoorden, hoe zou het dan denkbaar kunnen zijn dat ze ooit zouden uitsterven? Hoe kon men ooit teveel buffalo's doden als men dit geloof aanhing?'
In een boeiende bespreking van The Ecological Indian in het tijdschrift Terrain staat David Rothenberg stil bij het feit dat het onder milieuactivisten zo langzamerhand een 'geloofsartikel' is geworden dat Indianen in hoffelijke harmonie met de natuur leefden, totdat wij blanken op het toneel verschenen en alles vernielden. Maar dit soort generalisaties is, zegt hij, per definitie bezijden de waarheid. Tegenover de simplificaties probeert Rothenberg op grond van Krechs boek de nuance te zoeken. 'Doodden de Indianen precies genoeg bizons als ze nodig hadden of stuurden ze zonder noodzaak honderden dieren over de rand van het ravijn?' Als je de beschikbare gegevens bestudeert, zoals Krech heeft gedaan, zegt Rothenberg, dan vind je het voor de hand liggende antwoord: beide. Een waardevolle les die de recensent uit dit boek trekt is dat geen enkel idee louter moet worden verdedigd omdat het (vermoedelijk) afkomstig is van de een of andere etnische groep. Geheel in lijn met de Amerikaanse filosofische traditie van het pragmatisme stelt Rothenberg: 'We moeten een idee omarmen omdat het in een bepaalde situatie "werkt" voor de verschillende volken die het betreft, en niet omdat het inheems, Indiaans, wetenschappelijk of heilig is.' Naar het oordeel van de Amerikaanse recensent leunt het boek wel erg sterk op historische gegevens; gegevens die veelal pas zijn opgetekend nadat de Indianen met Europeanen in contact waren gekomen. Zo komen de meeste verhalen over Indianen die teveel bizons doodden uit de tijd nadat ze de beschikking hadden over paarden, die vanuit het zuiden door de Spanjaarden en Mexicanen werden ingevoerd. Er werden pas teveel bevers gedood op het moment dat het bevervel zo in trek raakte bij de Europeanen. Voor de komst van de Europeanen werden door Indianen geen gegevens opgeslagen en bijgevolg weten we maar weinig van die tijd. 
Ook Rothenberg is getroffen door de haaks op elkaar staande paradigma's. Een verschil tussen Indianen en Europeanen dat het boek duidelijk maakt, zegt Rothenberg, is dat wij ertoe neigen te geloven dat kennis toeneemt, dat wetenschap ons nieuwe waarheden brengt en betere hulpmiddelen. Maar veel Indianen zeggen dat juist vroeger de dingen veel beter waren. Mensen en dieren spraken dezelfde taal. De Ouderen konden dingen horen, en waren zoveel wijzer. En ze hadden niet de problemen waar wij vandaag de dag mee te maken hebben. Rothenberg oppert dat dit verschil de achterliggende reden is dat de idee van 'de ecologische Indiaan' juist in de huidige tijd zo belangrijk is, nu we een model, een nieuwe inspiratie nodig hebben - of die nu wordt gegrondvest op eeuwenoude mythen of historische gegevens. Voor vooruitziende milieuactivisten is het, zegt hij, net zo belangrijk om te weten of een Indiaans idee kan worden omgevormd tot iets dat we vandaag kunnen gebruiken, als dat het voor de historicus is om te laten zien dat Indianen feitelijk ook hun omgeving vernietigden. 'Elke generatie kan opnieuw te rade gaan bij de mythologie om zijn eigen problemen op te lossen.' Daarmee begeeft Rothenberg zich op glad ijs. Niet alleen omdat het 'reconstrueren' van een betoverd universum griezelige kanten heeft, maar ook omdat het iets fundamentalistisch heeft om op grond van ideeën die Krech karakteriseert als 'dehumaniserende stereotypen', een nieuwe inspiratie te bouwen. Het doet me denken aan mensen die de poëtische woorden die Chief Seattle aan 'het blanke opperhoofd' richtte blijven citeren omdat ze zo mooi klinken en zo 'waar' zijn, terwijl ze weten dat in feite een tv-tekstschrijver een groot deel van de Indiaanse toespraak uit zijn duim heeft gezogen.
Niettemin besluit Rothenberg zijn bespreking met de volgende, heldere conclusie: 'Leren van inheems Amerika is gecompliceerd: positieve beelden kunnen stereotypen blijken te zijn. Maar ook negatieve aanklachten kunnen zijn ingegeven door een manier van denken die simpele antwoorden eist, terwijl de werkelijkheid veel genuanceerder is.'
Tot slot nog even terug naar het boek zelf. Voor Stephen Krech is de kern van het stereotype van 'de ecologische Indiaan' aldus: 'het is een Indiaan in de natuur die de systemische consequenties van zijn eigen handelen begrijpt, diepe sympathie koestert voor alles wat leeft en die zich er voor inzet de natuur te beschermen, zodat het evenwicht op aarde nooit in gevaar komt en de hulpbronnen niet opdrogen'. Sprekend over dat vermeende 'natuurlijke evenwicht', ontwikkelt Krech een interessante gedachte, die hij helaas verder niet uitwerkt. Hij vraagt zich namelijk af wat de consequenties zijn van een fundamentele verandering die zich de laatste decennia in het ecologische denken aan het voltrekken is. Vroeger werd gedacht dat natuurlijke systemen het beste gedijden onder ecologisch evenwichtige omstandigheden, en dat ecosystemen in de loop der tijd een proces van 'successie' doormaakten dat uitmondt in een 'climax-stadium', bijvoorbeeld een ontwikkeling van een soortenarm moeras naar het hogere niveau van soortenrijk gemengd bos. Steeds meer wint echter de gedachte veld dat natuurlijke systemen in feite zeer open systemen zijn, die lang niet altijd streven naar harmonie en evenwicht. Wat heeft deze 'revolutie' in de ecologie van doen met inheemse volken? In de woorden van Krech: 'In een evenwichtige, harmonieuze natuur reproduceren inheemse volken evenwicht en harmonie. In een open natuur, waarin evenwicht en climax twijfelachtig zijn, worden ze, net als alle andere volken, dynamische krachten. De gevolgen van die krachten - of die nu subtiel zijn of niet - zijn niet zonder meer van te voren te overzien.' En die laatste conclusie slaat ook weer terug op Krechs eigen boek. Want uiteindelijk blijkt het dan ook moeilijk een oordeel te geven over bijvoorbeeld de vraag of Indianen in het verleden al of niet teveel bosgrond hebben afgebrand. Nieuwe inzichten in de ecologie leren immers ook dat een bos baat heeft bij periodiek een flinke bosbrand. En zo komt de wetenschap telkens een stapje vooruit...

© Jan van Boeckel

Shepard Krech III, The Ecological Indian. Myth and History. 1999, 318 blz. 21, ISBN 0-393-04755-5. W.W. Norton & Company, Londen.
David Rothenberg, The Old Ways and the New Problems. Two Views on Indians as Ecologists. In: Terrain: A Journal of the Built & Natural Environments, 1999, (Internet: www.terrain.org)