Twijfel aan Europa
Een portret van
cultuurfilosoof Ton Lemaire

Interviewer: Jan van Boeckel

(het transcript van het volledige interview is hier te lezen)



ę ReRun Producties, 1996
Blokzijlerdijk 4
8373 EK Blankenham
0527 - 200047
e-mail: polarstarcentre(at)yahoo.com
www.rerunproducties.nl

 


 

[Voorgelezen tekst:]

'Het is merkwaardig dat de Europese beschaving in een crisis is terecht gekomen op het moment dat de verwestersing van de wereld nagenoeg voltooid is ... De culturele schok die niet-westerse samenlevingen hebben ondervonden bij de gedwongen kennismaking met de westerse cultuur lijkt ... Europa zelf te treffen in omgekeerde richting, doordat ze juist door kennis te nemen van het bestaan van zoveel verschillende culturen, aan die van haarzelf is gaan twijfelen. De antropologische twijfel is zo bezien de subtiele wraak van de rest van de mensheid op Europa die haar heeft willen onderwerpen.'
'Het lijkt me bij uitstek de taak van intellectuelen om bij te dragen tot de geboorte van een nieuw Europa ... West-Europa zou moeten vˇˇrgaan in de poging om Verlichting en Vooruitgang te begrenzen om te voorkomen dat de mens zichzelf en de planeet Aarde zal vernietigen.
Europa, waarvoor de eigen culturele identiteit van meet af aan een open vraag is geweest, kan uit haar traditie van twijfel de inspiratie putten die haar in zekere zin zichzelf kan doen overwinnen.
Natuurlijk is dit alles grotendeels utopie.
In plaats van te profiteren van het verval van haar machtspositie in de wereld om eindelijk een andere weg te kiezen, zal Europa waarschijnlijk proberen om in een panische activiteit koste wat kost vast te houden aan de zogenaamde Vooruitgang ... 
Zij zal meer begeerten ontwikkelen en niet begrenzing, overvloed en geen soberheid, en vernuft in plaats van wijsheid.
Daarom zullen zij die misschien de weg kunnen wijzen in het labyrint van de moderne tijd, eilanden zijn van eenlingen, roependen in de woestijn.
Het is - meer dan ooit - moeilijk om Europeaan te zijn.



Ton Lemaire: "Bomen hebben voor mensen altijd veel betekend en voor sommigen betekenen ze nog steeds een hoop. Het is natuurlijk de verst ontwikkelde vorm van een plant. Maar ze zijn niet meer zoals bij vroegere samenlevingen als het ware de spil van de wereld. De levens- of wereldboom, die in veel mythologieŰn voorkomt en die ook in de Germaanse een rol speelde - de Germaanse wereldboom was de Es Yggrasil -, werd ervaren als het symbool van het universum, omdat die was geworteld in de aarde. Via zijn wortels had hij contact met de onderwereld. Hij schiet omhoog en zijn kruin reikt tot in de hemel. Het is het symbool van verbinding van hemel en aarde. En de mensen zijn daaromheen, onder de beschutting van zijn bladeren. De boom heeft een heel grote symboolkracht. Die symboolkracht van een boom is nog lang niet helemaal verdwenen, maar is wel voor een groot deel natuurlijk verdrongen door de moderne nuchtere manier om met de natuur en ook met bomen om te gaan. Bomen zijn een bepaald soort planten die wij kunnen gebruiken als timmerhout en die we opstoken, en verder zijn ze natuurlijk decoratief, uiteraard. Maar de intensieve boomervaring, zoals vroeger mensen die moeten hebben gehad en zoals die in de mythologie is neergelegd, vind je eigenlijk alleen terug bij dichters, in de kunst. De kunst is een soort wijkplaats voor alle mogelijke pre-wetenschappelijke of niet-wetenschappelijke ervaringen. Het is niet toevallig dat in de poŰzie en de literatuur elementen zitten die een zekere continu´teit houden met de vroegere archa´sche opvatting van de levensboom.
Er is een hele mooie passage in de bekende roman van Sartre, De Walging, La NauseÚ, waarin de moderne ervaring van de boom - althans een heel extreem geval daarvan - heel scherp tot uiting komt. Het past in Sartres filosofie, maar het zou te ver voeren daar nu op in te gaan. Die ervaring van de hoofdpersoon van een boom in een park - het gaat geloof ik om een wilde kastanje -, is niet aanleiding voor een gevoel van geborgenheid, van geluk, maar van walging, van afkeer. Omdat een boom als het ware de mens ontkent. Wat centraal staat in die ervaring is het onmenselijke van die boom, het 'ding-zijn' van die boom, het-in-zichzelf zijn van die boom. De hoofdpersoon kan dat niet verdragen. Dat is heel symbolisch voor de moderne mens. De mens kan, omdat hij zichzelf vanuit zijn antropocentrisme zo centraal stelt, niet verdragen dat een boom ook in zichzelf rust. In plaats dat hij dat ervaart als iets heel goeds, als iets moois, en dat hij zich verdiept in het zo zijn van de boom, wordt het ervaren als iets afstotends.
Nu is het moeilijk, en daar zou ik dit punt mee kunnen afronden, om als moderne mensen de ervaring die is neergelegd in de mythologie rond de levensboom en de wereldboom, die ervaring van vroegere generaties of van andere volken voor zover ze die nog hebben, ook zelf te ervaren. Omdat we zozeer zijn getekend door die eeuwen van onttovering door de natuurwetenschap en de idee van beheersing van de natuur. En ons antropocentrisme natuurlijk. Ik ervaar dat zelf ook. Ik ervaar bomen als buitengewoon belangrijk in mijn leven. Ik kan niet leven zonder bomen en bos. Ik vind bomen heel prachtig. Ik kan ze aanraken, ik kan er lang naar kijken. Maar ik weet niet of ik diezelfde intense ervaring heb zoals iemand van een samenleving of een cultuur voor wie de boom echt een heilige boom is. Het is de vraag of onze esthetische ervaring van de boom als mooi en goed al niet een verarmde vorm is van een oorspronkelijke boomervaring. Met andere woorden: wanneer wij als moderne mensen die volledige betekenis van de boom en de symboolfunctie van de boom terug willen ervaren, wanneer wij ons willen bevrijden van het natuurwetenschappelijke wereldbeeld en van de onttovering van de natuur, is het de vraag of we dat kunnen. Het is de vraag of we daartoe nog in staat zijn. We kunnen natuurlijk wel een heel eind komen. Het is al belangrijk dat wij weten wat wij missen, wat we inmiddels hebben verloren. Wat dus de prijs is van de vooruitgang.

[Commentaartekst:]
Terwijl het in de Franse steden steeds drukker wordt, loopt het platteland leeg. De boeren die niet met de moderne tijd meekonden, hebben hun boerderijen verlaten. Op een van deze verlaten boerderijen in de Dordogne is Ton Lemaire met zijn vriendin neergestreken. Met eigen honing, wijn, eieren en zelfgeteelde groente proberen zij de drukte van de supermarkt te ontwijken. Wie denkt, dat hij hier niets meer met de rest van de wereld te maken wil hebben, vergist zich. Vooral 's avonds, in de uren die overblijven, studeert Lemaire en richt hij zich met zijn pen tot Nederland. Zijn boek Over de waarde van culturen, een inleiding in de cultuurfilosofie, geldt nog steeds op veel universiteiten als een standaardwerk. Lemaire weet van zichzelf dat hij niet makkelijk kan omgaan met camera's en microfoons en aarzelt dan ook lang op ons verzoek om hem thuis te mogen interviewen.


Ik ben geboren in Rotterdam, ik ben dus gewoon een stedeling, maar opgegroeid op het platteland. Dat heeft een groot gevolg gehad voor mijn ontwikkeling, mijn leven, en met name voor mijn gevoel voor de natuur. Ik moet latent een gevoel hebben gehad voor de natuur, al heel vroeg denk ik, want ik herinner mij - ÚÚn van mijn eerste herinneringen - dat ik voor de eerste keer een bos zag. Ik had toen een oom die jachtopziener was. Hij woonde prachtig, ergens in Brabant in de bossen, in een huis met een rieten dak. Ik was toen heel erg getroffen. Het heeft een geweldige indruk op mij gemaakt. Natuurlijk was het bos voor mij in eerste instantie een soort sprookjesbos, maar in ieder geval herinner ik mij, als een van de eerste herinneringen als kind, dat ik dat geweldig vond. Het zien van de natuur en van het bos en van de beesten. Die oom had ook honden en kippen en fazanten en van alles en nog wat. Dat vond ik prachtig... 

[Hoog in de lucht vliegen kraanvogels over]

KRAANVOGELS! ...Sorry... Ik hoor ze hoor! Het zijn er maar een paar. Hoor je dat: kroe kroe kroe? Ja dat waren ze hoor. Dat was geen groep, dat was er een, of twee. Dat is heel uitzonderlijk. Onmiskenbaar. Dan komen er vandaag waarschijnlijk meer. En dan moet je dat geluid proberen te krijgen, dat is prachtig. Die kwamen vroeger bij mij in mijn jeugd ook over.
De kraanvogel is een vogel die altijd tot mijn verbeelding sprak. Hij is een mooie vogel die ik natuurlijk alleen maar kende, niet van nabij maar van foto's of zo. Hij kwam in Limburg altijd tijdens de trek overgevlogen, recht over ons huis, met honderden tegelijk in die bekende grote V's. En ook 's nachts komen ze vaak, dan hoor je ze dus vanuit je bed overkomen als je het geluid eenmaal kent. En dat sprak erg tot mijn fantasie. Ik wist dat ze van onbekende gebieden afkwamen. Ze broeden rond de Baltische Zee in Lapland en Polen en dergelijke, en dat ze helemaal naar Afrika gaan en dat ze op die lange weg dus je huis passeren, je dorp passeren, dat is voor mij iets van een herinnering aan de wildheid, aan de wildernis.

Ik was gefascineerd door de natuur, door prehistorie, door de archeologische vondsten die in onze streek gedaan werden en die ik dus ook spoedig zelf ging doen, en door Indianen. Dat was bij mij, net als bij iedereen of bij veel jongens van die leeftijd, in eerste instantie vanuit Indianenboeken, vanuit Karl May en dergelijke boeken, en vanuit het Indiaantje spelen natuurlijk, dat deden we allemaal, fanatiek. Maar bij mij zat er ook nog iets anders achter; ik ging veel langer door met het Indiaantje spelen dan anderen. Tot mijn vijftiende, zestiende, maakte ik eigen pijl en bogen en liep ik nog rond met een verentooi en dergelijke. Ik ben wat lang kind gebleven wat dat betreft. Maar ik was heel erg geŰngageerd, ik identificeerde me zodanig met Indianen, en ik was zozeer verontwaardigd, ook uit een morele verontwaardiging, dat ik me dus voornam om, later als ik groot was, de Indianen te gaan helpen en zou proberen om het blanke gespuis, de bleekgezichten, te verdrijven. En het was zelfs zodanig, dat ik op mijn vijftiende, zestiende voor mezelf een systematisch program had uitgestippeld om daaraan te voldoen. In die zin dat ik dus moest kunnen paardrijden, en ik moest goed kunnen bomen klimmen, ik moest kunnen zwemmen en ik moest kunnen hardlopen en zo. Dus ik had me een heel programma voorgesteld om ervoor te zorgen dat ik op mijn twintigste, dus fysiek ook, erg goed in staat was. En ik heb me er jarenlang goed aan gehouden!
En ik had dus hele utopische fantasieŰn over hoe ik dat aan zou pakken en dat er dan een soort ideaalsamenleving zou ontstaan, waarin ik zelf ook een grote rol zou spelen en waarin ik de Indianen zou bevrijden en de blanken dus zou verdrijven, ja.

Ja, ik ben dus filosoof, eigenlijk afgestudeerd als filosoof en ook als antropoloog trouwens en ik heb dus altijd die hobby gehouden van archeologie en daarnaast een hele grote belangstelling voor de natuur. Dat is altijd gebleven. Een tijd lang is het even wat minder geweest omdat ik als student, ergens op een zolderkamer in de binnenstad van Nijmegen zat, en Utrecht ook, in eerste instantie. Maar later toen ik afgestudeerd was en buiten kon gaan wonen is het weer helemaal teruggekomen. Toen heb ik een boerderij gekocht in oost-Brabant, dat was in 1980. Ik maakte dus opnieuw kennis met de realiteit van Nederland. Ik maakte kennis met de realiteit van het platteland. Ik kende het platteland van mijn jeugd, dus ongeveer twintig jaar daarvoor. Ik kwam nu in een ander gebied, weliswaar; ik ging weer wonen temidden van de boeren. En toen werd ik opnieuw geconfronteerd met het Nederlandse platteland, waar ik natuurlijk wel het nodige over gehoord, en gelezen en gezien had, maar de ervaring zelf was dus toch nogal teleurstellend. Want in de eerste plaats werden wij geconfronteerd met alle aanslagen op het platteland die je je maar kunt voorstellen, waarvan we enkele wel verwachtten, maar lang niet allemaal.
Op de eerste plaats zaten we in een gebied waar de ruilverkaveling in uitvoering was, waarvan we dus nog het begin van de uitvoering hebben meegemaakt. Met name hield dat in: het rechttrekken van beken en het kappen van heggen en bomen, en het verharden van wegen en het laten vervallen van andere kleine weggetjes.
Het tweede punt was de bedreiging van een autobaan die er zou komen. De A-73 heet die geloof ik, die inmiddels misschien wel begonnen is, tussen Boxmeer en Venlo. Een tracÚ daarvan was omstreden en zou door het laatste overgebleven stiltegebied gaan. Wij zouden daar in ieder geval mee te maken krijgen. Hij zou ongeveer anderhalve kilometer van onze boerderij afkomen. We zouden dus in ieder geval geluidshinder krijgen. En verschillende wandelwegen die daar lagen, die zouden worden afgesloten door de komst van die weg.
Verder was het zo - en dat wisten wij van tevoren ook niet - dat omdat we aan de rand van De Peel zaten, dat we aan het meest door de zure regen getroffen gebied van Nederland zaten. Aan de rand van De Peel immers liggen heel veel bio-industrieŰn. Bij ons in de omgeving dus ook. Dus die rook je vaak, ook dat is een punt natuurlijk. Je rook ze. Er zat zelfs op een kilometer afstand ook nog, dat zou ik bijna vergeten, een nertsfokkerij, wat ook iets verschrikkelijks is. Daar zitten dus duizenden nertsen die je dus hoort gillen, heel vaak, en die ontzettend stinken. Maar in ieder geval, als gevolg van de bio-industrie was er dus een hoge concentratie van zure regen. We hadden uiteraard overal om ons huis de akkers waar de boeren ook hun mestoverschotten dumpten. Dus het stonk bijna altijd. Dan hadden we, even kijken of ik niets vergeet, als gevolg daarvan was het grondwater slecht.
En tenslotte, tot overmaat van ramp, iets dat we ook niet voorzien hadden, bleken we te zitten in een aanvliegroute van een militair vliegveld. Dat betekende dus dat vaak - niet elke dag gelukkig - maar toch minstens drie van de vier, vijf dagen - zaterdag en zondag was het dan stil - dat er dus tussen de tien, minimaal, en vijftig straaljagers en bommenwerpers laag over het huis kwamen. Die kwamen in een lange rij aan, zo elke minuut eentje. En dan laag, omdat ze al bezig waren te landen. Want het vliegveld lag op tien kilometer afstand, maar dat is voor een vliegtuig niet veel. En ik werd daar zo dol van! Ik word er nog helemaal agressief van als ik er aan denk. Ik ben heel erg geluidgevoelig, maar ik werd er helemaal razend van.
En het feit is dus dat ik daar zo ben op afgeknapt, dat ik na een jaar of vijf hard werken in de boerderij dacht: ja, ik mˇet hier weg, ik kan hier niet meer leven. Het was dus die vliegtuigen, het was de vervuiling. En het gehele gevoel, dat moet ik eraan toevoegen bij wijze van resumÚ, wij hadden een prachtige tuin, een schitterende tuin werkelijk. Alles groeide in het algemeen heel goed. We hadden eigen honing, eigen eieren, we hadden eigen jam, eigen wijn, enzovoorts. Maar we waren een oase in een landschap dat voor de rest voor mijn gevoel naar de verdommenis ging. Overal zag je dat er gekapt werd, dat er dingen verdwenen in de korte tijd dat wij er waren. Het stonk natuurlijk heel vaak, en ik wist wat er met die ruilverkaveling plus de autobaan nog meer zou verdwijnen. Ik voelde mij in de val gelopen. Ik voelde mij ontzettend beklemd.
En het gevolg was dat ik steeds pessimistischer werd, en dat ik dus kwam met een diagnose van onze samenleving die zo pessimistisch werd dat ik er zelf onder gebukt ging. Dus ik ging eronder gebukt, zowel door het feit van mijn eigen ervaring, als het feit dat ik steeds, theoretisch, op dezelfde problemen terecht kwam. In die zin, om ons te beperken tot de milieucrisis, deze samenleving moet anders met de natuur omgaan, fundamenteel anders. De milieucrisis is heel belangrijk, maar vooralsnog is er totaal geen zicht op dat het Úcht, fundamenteel tenminste, veranderen zal. Er wordt natuurlijk een hoop gedaan, maar het blijft voor mijn gevoel uitermate marginaal.
En wanneer je aan studenten alleen maar een vrij pessimistische visie moet geven, een diagnose van: eigenlijk moet het anders, maar de werkelijke krachten die het zouden kunnen veranderen zijn er niet, of zijn geblokkeerd, geeft dus, ook op dat niveau, ook in mijn werk, een buitengewoon frustrerend gevoel. Dus ik voelde mij in allerlei opzichten vastgelopen, in de val.
Bij mij is het zo dat ik al die dingen heel erg aantrek. Ik zei al, bij mij is er niet zo'n discontinu´teit tussen mijn werk en mijn privÚ-leven als misschien bij anderen. Ik kan dat moeilijk scheiden. Ik trek mij de dingen heel erg aan, en ik kan mij ook maar heel moeilijk distantiŰren van de problemen van de wereld. Ik ben mij dermate bewust - wat ook je taak als filosoof is, vind ik - van wat er in de wereld gebeurt, en dat is in het algemeen niet al te positief. Dat kan ik niet losmaken van mijn persoonlijk leven. Ik kan mij moeilijk gelukkig voelen, ook niet op deze mooie plek, terwijl ik weet dat de wereld gebukt gaat onder...

[Op de achtergrond klinkt het aanzwellende lawaai van een overvliegende straaljager.]

Het is goed dat er misschien nog even hier een straaljager overkomt...
Je kunt je moeilijk gelukkig voelen, terwijl je weet dat de problemen in de wereld zo groot zijn, zo gigantisch. Nou ja, dat had ik dus toen ook al en ik stuitte er ook al filosoferende voortdurend op en dat is iets dat mij tot wanhoop bracht, en nog steeds brengt hoor. Want laat ik eraan toevoegen: Ik ben in zekere zin een nieuw leven begonnen hier. Dankzij het feit dat ik afgekeurd ben, heb ik kunnen weggaan naar Frankrijk en ben ik een nieuw leven begonnen, meer op de manier zoals me dat voorstond, zoals vroeger. Ik heb een grote tuin, ik heb beesten, ik woon in een bos en zo, en daarnaast lees en schrijf ik zo veel mogelijk, dus dat is wel een leven dat mij voor ogen stond. Maar ook hier is het niet ideaal. Het paradijs bestaat niet, hoe idyllisch dit moge lijken. Ook hier komen de straaljagers over; we hebben er net een gehoord, en er komen er vaak veel over. De laatste twee jaar, met name sinds de Golfoorlog, is het erg toegenomen. Dus dat heeft ook bij mij geleid tot een crisis omdat datgene wat ik dacht te ontsnappen is weer, voor een deel tenminste, teruggekomen.
Dus alles bij elkaar is het hier verre van stil. Je kunt je niet isoleren van de maatschappij om je heen, ook hier, en overal in Europa, overal in de wereld. Zelfs in de meest afgelegen hoeken van Canada of het Amazonegebied, is de technische, industriŰle maatschappij aanwezig.

[Door Lemaire voorgelezen tekst:]
'Op die middagen scheen alles iets eeuwig, iets versteends, iets unheimisch te hebben. De wegen waren stoffig, de hitte trilde boven de velden, de mensen en dieren zochten de schaduw op, en geluiden waren hard en meedogenloos. Alle dingen lagen afzonderlijk, onbeschaduwd, tot hun essentie teruggebracht nu ze niet langer door hun schaduw werden beschermd; de bladeren van de bomen hardgroen, het koren hardgeel, de lucht hardblauw, en om dat alles heen was, verder weg dan gewoonlijk, een vage horizon. Ik voelde me dan onrustig en op een vreemde manier ongelukkig, als door iets onbestemds bedreigd, maar tegelijk ook van een groot verlangen vervuld om overal tegelijk aanwezig te zijn en deze mooie dag overal tegelijk mee te maken. Maar omdat ik niet wist te kiezen, waarheen het eerst te gaan, en bovendien de felheid van het licht vreesde, bleef ik binnen om pas tegen de namiddag of de avond een wandeling te maken. De avonden waren dan een verkwikking, niet zozeer fysisch, als wel metafysisch. Het was dan, als het avond werd, of de vormen van de wereld zich ontspanden, zich met elkaar verzoenden en verbonden, alsof het landschap weer zijn oude intimiteit hervond, nu de geluiden gedempt, de kleuren zacht en de mensen beweeglijk werden.'


Kijk, ook dit is een paddenstoeltje, maar het is een heel kleintje, zie je dat? Ik ken de soort echt niet hoor, een heel kleintje, die groeit op rottend hout.
En hier is weer een hele andere. Dit is een... Ah, kijk eens aan, dit is een stekelzwam. Dat kun je zien. Hier, aan de onderkant van de paddenstoel: ofwel - ik heb vergeten die andere te laten zien - ofwel heb je daar van die plaatjes, lamellen heet dat, ofwel gaatjes, buisjes, ofwel je hebt stekeltjes. En dit is nou een stekelzwam en hij ruikt goed, en wel bijna zeker eentje die in het Nederlands heet, eh... Ik heb namelijk met drie soorten namen te maken, de Franse, de Nederlandse en de Latijnse... In het Frans heet hij de pied de mouton, dat wil zeggen de schapenvoet en het Latijn is geloof ik hypernepandum. En in het Nederlands is dat de gele stekelzwam. Die is eetbaar, die is goed. Die neem ik dus mee. Maar je ruikt echt, dat vind ik bij paddenstoelen heel erg, de humus; je ruikt de bosgeur. Je ruikt de humus.
[Loopt stuk door bos en ziet opnieuw paddenstoel]
Dat is in ieder geval geen eekhoorntjesbrood, nee. Dat weet ik niet met zekerheid.

Ja, als we dus over de milieucrisis nadenken, dan ontkom je er niet aan, denk ik, om je te realiseren dat het op de een of andere manier toch een in Frage stellen is, van het begrip, van ons geloof in de vooruitgang. Het is hoe dan ook een bewustwording van het feit dat ons geloof in de vooruitgang op grenzen stoot, op zijn eigen beperkingen. Wanneer we tenminste daarop doordenken, dat we dus, en in de gaten krijgen hoezeer ons vooruitgangsidee een geloof is, een mythe is, een ideologie is, waardoor wij verblind kunnen zijn, is dat we beseffen hoe we niet alleen naar de natuur toe, maar ook naar onze eigen geschiedenis toe, dingen hebben veronachtzaamd en hebben verworpen of hebben laten vallen die misschien heel waardevol zijn. We hebben als het ware al onze kaarten gezet, al onze kansen gezet op de toekomst, op de vooruitgang, op nog meer machines, nog meer beheersing. Daaraan is heel veel opgeofferd. Heel veel ambachtelijkheid, heel veel kennis, heel veel leefpatronen enzovoorts zijn opgeofferd aan die vooruitgangsidee. En dat betekent, dat we dus op een gegeven moment wel eens met lege handen zouden kunnen staan wanneer de techniek met name, en natuurlijk heel het kapitalistisch bestel, in elkaar zou storten of in grote problemen zou komen; met lege handen komen te staan omdat we zozeer gebroken hebben met ons verleden. Nu, ook wat betreft het verleden: ik wil niet terug naar het verleden, dat is natuurlijk uiteraard onmogelijk, de geschiedenis herhaalt zich niet. Maar ik zou willen naar een maatschappij die elementen die belangrijk zijn, die waardevol zijn van het verleden, zelfs van het verre verleden, probeert te integreren in het heden. Die niet dus verblind door haar vooruitgangsoptimisme, waarvan we de grenzen nu wel zo langzamerhand duidelijk hebben gezien, verblind door de mythe van de vooruitgang, het verleden als het ware achter zich weglaat of mooi opbergt in een museum, dat komt op hetzelfde neer, dan is het wel bewaard, maar dan is het bewaard als een object op een afstand, maar is er geen levende band mee. Dus ik pleit voor een, om het even abstracter te zeggen, voor een integratie, voor een rentegratie van al die elementen die in onze geschiedenis hebben moeten wijken, gevlucht zijn, hebben de wijk moeten nemen voor de dynamiek van de vooruitgang. En dat noem ik dan gemakshalve, met een wat grove term misschien, het archa´sche. Dus mijn pleidooi zou zijn: we moeten aandacht hebben voor het archa´sche, als tegenwicht tegen de verabsolutering van de vooruitgang.

De kunst. De kunst is vaak een graadmeter, is vaak vroeger dan anderen gevoelig voor tendensen, maar ook voor tekorten. Kunstenaars hebben al heel vroeg de betekenis, de waarde van archa´sche elementen ontdekt of herontdekt. In ieder geval vanaf begin deze eeuw is dat heel duidelijk. De interesse van mensen als juist van de grote vernieuwende kunstenaars als Picasso en Matisse en Braque en ook een aantal minder bekenden, Gauguin niet te vergeten trouwens, interesse voor het archa´sche, dat wil zeggen voor archa´sche westerse kunst met inbegrip ook van met name de prehistorische kunst. Zij zijn vaak de eerste geweest die die kunst als kunst hebben erkend, in eerste instantie werd die niet als kunst erkend. En, vooral, zij hebben ook een open oog gehad voor de zogenaamde primitieve kunst, voor de kunst van bijvoorbeeld Afrikanen, Indianen. Afrikaanse maskers, houtsnijwerk, Indiaanse maskers en dergelijke. Zij zijn degenen geweest, met antropologen maar zij zeker ook, die dus de primitieve kunst en de oud-Europese kunst hebben gerehabiliteerd en ook, wat meer is, hebben proberen te verwerken in hun eigen kunst. Dus in de kunst van de twintigste eeuw, en dat geldt ook, maar daar weet ik minder van, voor de muziekkunst, is er wel degelijk een poging om oude elementen, primitieve tussen aanhalingstekens, ouderwetse, archa´sche elementen, te integreren in de hedendaagse kunstbeoefening. Dat vind ik een duidelijk voorbeeld.
En in de tweede plaats is het ook aanwezig in wat je ook weer met een vrij grove term zou kunnen aangeven met de New Age-beweging. Daar vind je ook in dat ze dus allerlei elementen die ze ontlenen zowel aan het Europese archa´sche verleden, onze eigen esoterische traditie, allerlei al dan niet vergeten sekten en stromingen en anderzijds dus bijvoorbeeld Indiaanse en Oosterse stromingen, dat ze proberen daarvan elementen terug te winnen als een compensatie voor het leven in een spiritueel arme samenleving.
In welke mate het kunstmatig is, in welke mate het, wat voor oordeel je daarover moet hebben, dat laat ik open. Natuurlijk er is heel veel over te zeggen, negatief en positief. Ik ben bepaald niet iemand, ik voel me helemaal niet lid van de New Age-beweging, laat ik dat voorop stellen hoor. Ik vind er heel wat dweperij in zitten en mystificatie, dus ik wil me er absoluut niet mee identificeren. Maar ik constateer even, als een cultuurverschijnsel is het interessant, omdat ik dat in mijn theorie, in mijn verhaal, mooi als voorbeeld kan geven. Maar, nog even eraan toevoegen, dat terughalen van het archa´sche, dat pogen om die archa´sche dimensie te re-integreren in onze moderne tijd, om te komen dus tot een completer mens, een completer cultuur, mag niet gaan ten koste van het kritische denken, waar ik aan vast zou willen houden. We moeten ons niet laten verleiden tot mystificatie of tot dweperij, dat vind ik heel gevaarlijk. Dat zie je nogal eens, of het nou is bij Indianen omtrent hun eigen verleden, of bij New Age-mensen. We moeten kritisch blijven denken, en dat geeft dus juist al een zekere afstand en daarmee kan het best zijn dat je een zodanige blokkering teweeg brengt dat je niet meer kunt, het archa´sche niet meer in je kunt opnemen. Dus dat is een ambivalentie die ik even in mezelf waarneem, die ik even uitdrukkelijk naar voren wil halen. Dat ik dus niet de verworvenheden van de moderne tijd, en juist niet het kritisch denken, de kritische rationaliteit, wil prijsgeven, alle verworvenheden wil prijsgeven ten gunste van het archa´sche. Integendeel. Dus het gaat om een zekere correctie van de moderne tijd vanuit het archa´sche. Maar niet het ene door het andere vervangen.
Ik denk, simpel gezegd, dat het ons grote probleem is, maar daar kom ik weer met een onheilsboodschap, dat het moderne, de moderne tijd zichzelf zal vernietigen, en dat het niet, dat het inderdaad onmogelijk is om het archa´sche op een evenwichtige manier in onszelf op te nemen. Dat is ons probleem. Maar dat is even heel dramatisch hoor, maar dat is... Dat is ons dilemma.

In Nederland zijn ontzettend veel musea. Nou dat is prima natuurlijk, maar tegelijkertijd is Nederland een land dat heel erg met zijn verleden gebroken heeft. Dat zie je architectonisch op allerlei manieren. Nederland heeft heel veel afgebroken, letterlijk afgebroken. Het landschap is grondig veranderd sinds de oorlog. En op het eerste gezicht lijkt er dus een tegenspraak te zijn: dat er zoveel musea zijn, uitstekende musea, de museumdichtheid in Nederland is buitengewoon groot, en tegelijkertijd dat Nederland, volgens mijn uitspraak dan, zozeer gebroken heeft met haar eigen verleden. Maar als je erover nadenkt zijn het twee kanten van dezelfde medaille. Nederland heeft gebroken met haar verleden. Heeft op rigoureuze manier gemoderniseerd op allerlei vlak, maar tegelijkertijd: dat gaat juist gepaard met het opbergen als object van dat verleden in musea, en in landschapsparken, of in Archeon nu tegenwoordig. Juist omdat met de levende band met het verleden gebroken is, kan het verleden als object worden opgeborgen. Daarmee is het ook een object dat beheersbaar is en in ieder geval tentoongesteld wordt en niet meer deel is van het verleden. Er is geen continu´teit. Dus het een sluit het ander niet uit, maar bevestigt het juist.
De antropologische musea, een ander punt. De antropologische musea in het Westen staan vol met objecten, die men meegenomen heeft, of gestolen heeft, uit de voormalige koloniŰn, uit de door westerlingen beheerste gebieden. Dat zijn dus om het zo te zeggen archa´sche primitieve elementen, elementen uit wat vroeger dan heette primitieve samenlevingen, ik noem het dan nu, mijn term, archa´sche samenlevingen. Die elementen staan hier te kijk gesteld, die zijn hier ten toon gesteld - niet om, tenminste niet primair de bedoeling, dat wij nu hun opnemen in ons leven. Nee integendeel, in eerste instantie om te kijken, hoe gek zijn die mensen, wat raar. Kie-doar-wa-reur, zouden ze in Nijmegen zeggen, kie-doar-wa-reur. In ieder geval om ze op te nemen, om ze ten toon te stellen en om ze te laten zien: 'wat een vreemde, afwijkende, primitieve mensen'.

Juist als gevolg van ons vooruitgangsoptimisme, het geloof in de vooruitgang, het geloof in de toekomst, het geloof in de beweging, in de dynamiek, leven wij in zekere zin, zonder dat wij het misschien in de gaten hebben, in de terreur van de tijd, de terreur van de geschiedenis. Juist omdat de geschiedenis het bestek is - lineaire geschiedenis, de tijd met een begin en een einde en een voortschrijden - het bestek is van onze zelfontplooiing, is de tijd tegelijkertijd ook datgene wat alles van ons eigenlijk, al onze werken, en onze pogingen opslurpt, en in zekere zin vernietigt, er zit ook een hele destructieve kant aan. Nu, als tegenwicht tegen het geschiedsoptimisme, dat vooruitgangsvertrouwen, dat tegelijkertijd terrorisering door de tijd betekent, door een bepaalde opvatting van de tijd, de lineaire tijd, is het goed te bedenken dat deze tijdopvatting helemaal niet natuurlijk is of noodzakelijk, maar dat het een van de vele mogelijke is. Dat het de tijdsbeleving, de verhouding tot de tijd is die de moderne westerse mens als het ware gekozen heeft. En dat daartegenover een heel andere tijdsbeleving staat die de Middeleeuwers en vooral de Grieken nog hadden. De Grieken en Oosterse volkeren hebben of hadden. Dat daarin de tijd helemaal niet verschijnt als het bestek waarin mensen zich zonodig moeten ontwikkelen en vooruitgang moeten boeken. Maar veeleer een tijd dus van de herhaling van hetzelfde, een tijd waarin het begin de maatstaf is en niet een hoop op de toekomst.

[Door Lemaire voorgelezen tekst:]
'Het eigenlijke domein van de auto is de snelweg of de autobaan. Deze verschilt van de oudere wegen, die van dorp naar dorp en van stad naar stad lopen, omdat hij die juist vermijdt. De autobaan is precies het rijk van de beweging als zodanig, de abstracte, pure beweging. Hij doorsnijdt dan ook bruut het landschap waarin zich het traditionele ritme van het menselijk werken en wonen heeft uitgedrukt. Via afslagen is er een verbinding tot stand gebracht tussen de abstracte ruimte van de beweging en de concrete en beleefde ruimte van het wonen. Op de autoweg is iedereen een passant geworden, chronisch reiziger in een vluchtige wereld. Terwijl de ruimte die hij doorsnijdt een geheel van plaatsen is, beladen met persoonlijke en sociale betekenissen, is de autoweg een prototype van een niet-plaats, een abstracte, anonieme doorgangsplaats. Behalve autowegen zijn er ook plaatsen als grote supermarkten of de automatische draaihekken via welke men toegang krijgt tot de metro of het vliegveld, de automaten waar men kaartjes koopt voor de parkeerplaats of waar men geld uit de muur haalt. Kortom, plaatsen waar mensen elkaar passeren, maar niet ontmoeten. In tegenstelling tot de concrete leefruimte zijn mensen in het gebruik van niet-plaatsen alleen en anoniem. De druk om te bewegen en te reizen, het prestige van de verandering en vernieuwing, blijken zo groot, dat de oude plaatsen, waar men zichzelf kon zijn, onder verdenking vallen, achterhaald zijn. De wereld van de moderne mobiliteit stelt tegenover het langzame ritme van de planten de cultus van de snelheid; tegenover het zich herhalende de zucht naar het nieuwe; tegenover de stilte de luidruchtigheid. Het liefst zou ze de nacht in de dag veranderen, de droom in daad, al het passieve in activiteit.'


Het is denkbaar dat wij onszelf proberen te begrenzen, dat er sprake is van een zelfbegrenzing van de moderne tijd, en een zelfbegrenzing van de rede. Dat de rede dus op grond van haar eigen kritisch vermogen zichzelf grenzen kan stellen, net zoals wij door kritisch nadenken over de moderne tijd, puttend uit de middelen die de moderne tijd heeft mogelijk gemaakt, ook die tijd zelf, met inbegrip van haar vooruitgangsidee, begrenzen. Dat we dus ideologiekritisch zijn, dat we de vooruitgangsidee ontmaskeren als een mythe. Dat doen we op grond van kritisch denken en dat is zelf weer een vrucht van de moderne tijd. Dat is de ene kant van de zaak, daar geloof ik in, dat dat uitermate belangrijk is. Maar nog fundamenteler is het om dit verder nog door te voeren en te onderbouwen door de ervaring, het gevoel van de eigen begrenzing en beperktheid. En dat is een religieuze ervaring. De ervaring, waar in een ander verband wel eens over gepraat is, de ervaring dat de mens een klein deel van het geheel is, de ervaring van de wildernis, de ervaring van de stilte, de ervaring van het andere van de mens. En op zijn hoogste niveau, op zijn diepste, heb je dan een kosmische ervaring, die je een religieuze ervaring zou kunnen noemen. En dat is de meest omvattende basis van waaruit je dus de verabsolutering door moderne mens van zichzelf, van zijn geschiedenis en van heel de moderne tijd, kunt overwinnen.

De milieucrisis zelf, en ook de intellectuele crisis, is zelf weer onderdeel van een nog bredere crisis, dus de algehele culturele crisis, de cultuurcrisis van het Westen. En die bredere culturele crisis heeft in ieder geval te maken, ik noem nu vrij willekeurig wat elementen, met het verloren gaan van vaste oriŰntatiepunten, van vaste waarden, die zelf weer veel te maken hebben met de secularisering van de maatschappij, dus het wegvallen van het christendom als in ieder geval een belangrijke centrale oriŰnterende kracht van onze beschaving. Daar kun je dus positief of negatief over denken, maar in ieder geval heeft het mensen in onzekerheid gebracht en dat heeft samen met het opkomen van een geavanceerde technologische en kapitalistische maatschappij, een welvaartsmaatschappij gegeven, een consumptiemaatschappij. Waarbij dus een gebrek aan werkelijk gedeelde waarden, laat staan een doel van de geschiedenis, wordt gecompenseerd door een geloof in vooruitgang, althans door een geloof in economische vooruitgang en materiŰle welvaart en in consumptie. En dat kan ik alleen maar ervaren, en met mij velen trouwens, maar het blijft natuurlijk een vrij subjectief oordeel, dat kan ik alleen maar ervaren als een onherstelbaar verlies. Ik heb het gevoel dat deze maatschappij heel erg leeg en banaal is. En dat heeft ook in ieder geval te maken, vaak op een moeilijk ontwarbare, moeilijk traceerbare manier met de stilte van God, zoals dat genoemd is.
God zwijgt, God laat zich niet horen, God is dood zoals dat heet. Niet alleen dat de kerken leeglopen maar God betekent nauwelijks meer iets voor ons. Kennelijk luisteren we ook niet meer naar hem. God bestaat natuurlijk ook in de mate, God betekent iets voor je naarmate je je oor te luisteren legt. De stilte waarin God kan spreken is verdwenen. Er is natuurlijk een onmiddellijke terugkoppeling te maken tussen de stilte van God en de stilte die nodig is om God te ervaren. Net als de natuur zichzelf maar geeft en zich toont en zich manifesteert als je luistert, zoals Gazelle ergens in een gedicht zegt: 'Als de zielen luistert, spreekt het allen taal dat leeft.' Als de ziel niet luistert dan zwijgt de natuur, en zwijgt God ook. In ieder geval een zekere openheid, een zekere ontvankelijkheid, een zekere na´viteit als het ware is weg, is verdwenen. En daarvoor in de plaats is voor een belangrijk deel gekomen ofwel een agnosticisme, ofwel een nihilisme, en een consumentisme.
Nu is dat ook weer positief en negatief te duiden. In elk geval positief voor zover ook een hoop rimram als het ware verdwenen is, ik bedoel een hoop beklemming en institutionele ballast en allerlei randverschijnselen daarmee verdwenen zijn. Ik heb zelf volledig gebroken met mijn eigen, in dit geval katholieke opvoeding. Ik heb geen enkele behoefte om er ooit nog iets naar terug te keren. Maar de Godsvraag om het zo te zeggen, de behoefte aan spirituele oriŰntatie, is even groot. Met andere woorden, het positieve is dus dat je kunt breken met een hoop secundaire en kwalijke kanten van het ge´nstitutionaliseerde geloof; het negatieve is dat je dus met lege handen staat, maar dat je dus op zoek kunt gaan, zelf, naar een nieuwe vulling. En dat ben ik natuurlijk ook wel. Ongeveer op mijn twintigste heb ik gebroken met alle banden met in dit geval de katholieke kerk. Maar de vraag zelf, de religieuze behoefte en ook de invulling daarvan, heeft me voortdurend begeleid. Lange tijd heb ik me athe´st gevoeld, terwijl ik eigenlijk meer panthe´st was, om dat grote woord te gebruiken, en dat ben ik nog steeds, in zoverre dat natuur voor mij min of meer de plaats is waar het goddelijke zich voor mij laat voelen, maar dat staat dus totaal los van enig kerkgenootschap en zelfs van het christendom als geheel. Ik voel me veel meer verwant met boeddhisme. Maar enige voeling voor het mysterie van de wereld, enige voeling voor je eigen kleinheid is denk ik ontzettend belangrijk om een houvast te vinden, maar ook om een soort plaats te vinden binnen deze verwarrende en voor mijn gevoel banale lege maatschappij, om dat als het ware te overleven."


ę ReRun Producties
Postbus 93021
1090 BA Amsterdam
The Netherlands
www.rerunproducties.nl